ECLI:NL:CRVB:2026:586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing tegemoet aan de bezwaren van appellant, waarna appellant het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad stelde vast dat het UWV reeds de kosten in de bezwaarfase had vergoed en veroordeelde het UWV in de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep redelijkerwijs had moeten maken, begroot op in totaal €4.670,- voor rechtsbijstand en €5.008,38 voor deskundigenkosten. Daarnaast werd het griffierecht van €185,- vergoed.
De redelijke termijn was met ruim elf maanden overschreden, zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. De Raad veroordeelde het UWV tot een schadevergoeding van €166,67 en de Staat tot €833,33, conform de verdeling van de overschrijding. Tevens werden beide partijen ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding.
De totale proceskostenveroordeling aan het UWV bedroeg €9.911,88 en aan de Staat €233,50. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 mei 2026.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn na intrekking van het hoger beroep.