ECLI:NL:CRVB:2026:595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens Duitse bankrekening en onvoldoende schuld aannemelijk gemaakt
Appellant, voormalig notaris, vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college wees de aanvraag af omdat appellant beschikte over een Duitse bankrekening met een saldo dat hoger was dan de vermogensgrens en hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij voldoende schulden had om dit saldo te compenseren.
Appellant voerde aan dat de Duitse bankrekening niet van hem was maar van een kerkgenootschap waarvoor hij als procurator-generaal fungeerde, en dat hij aanzienlijke schulden had, waaronder een dwangsomschuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de aangevoerde schulden niet voldoende waren onderbouwd en dat het saldo op de Duitse bankrekening tot het vermogen van appellant behoort. De ingediende stukken, waaronder e-mailcorrespondentie en vaststellingsovereenkomsten, leidden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd omdat appellant kan beschikken over een Duitse bankrekening met saldo boven de vermogensgrens en onvoldoende schuld aannemelijk heeft gemaakt.