Eiser vroeg algemene bijstand aan op grond van de Participatiewet, maar het college wees de aanvraag af vanwege een hoog tegoed op een Duitse bankrekening die op naam van eiser staat. Eiser stelde dat het tegoed niet zijn privévermogen betrof, maar gelden van een kerkgenootschap die hij beheert als Procurator Generaal. Daarnaast voerde hij aan dat een schuld van ruim een miljoen euro aan een derde in mindering moest worden gebracht.
De rechtbank oordeelde dat het tegoed op de Duitse bankrekening, gelet op de tenaamstelling en het gebruik voor privébetalingen, terecht werd meegeteld als vermogen waarover eiser redelijkerwijs kon beschikken. De schuld aan mevrouw kon niet worden meegenomen omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze schuld daadwerkelijk bestond en betaald moest worden.
Daarmee kwam het vermogen van eiser boven de wettelijke grens van € 6.505,-, waardoor hij geen recht had op bijstand. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak benadrukt het belang van het aannemelijk maken van het vermogen en schulden bij een aanvraag bijstand en bevestigt dat banktegoeden op naam van de aanvrager in beginsel tot diens middelen worden gerekend.