Appellant had een AOW-pensioen toegekend gekregen met korting vanwege vermeende niet-verzekerde jaren. Hij stelde dat hij tussen november 2004 en december 2009 in Nederland woonde en daardoor verzekerd was voor de AOW. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees zijn verzoek om herziening af, waarop appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde de bewijsstukken, waaronder verklaringen van derden, poststukken, agenda’s en een akte van levering van de woning, en concludeerde dat appellant voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de betreffende periode het centrum van zijn belangen in Nederland had. De Raad volgde de vaste rechtspraak van het HvJ EU over de beoordeling van woonplaats en verzekeringsplicht.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van de Svb, en bepaalde dat appellant verzekerd was voor de AOW van 1 november 2004 tot en met 31 december 2009. Het AOW-pensioen wordt vanaf mei 2022 herzien zonder korting voor die periode. Tevens werd appellant een vergoeding toegekend voor proceskosten en griffierechten.