Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/1128 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens schending medewerkingsverplichting na huisbezoek

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet sinds 2011. Na een melding van een buitengewoon opsporingsambtenaar over een 'wiet dump' met haar adresgegevens en een telefoontje van haar zoon dat zij in Turkije verbleef, startte de gemeente Venlo een onderzoek naar de rechtmatigheid van haar bijstand. Dit onderzoek bestond uit het opvragen van gegevens over waterverbruik en afvalledigingen en waarnemingen bij het uitkeringsadres.

Appellante werd opgeroepen voor gesprekken, waarbij zij op 7 juni 2022 weigerde mee te werken aan een aansluitend huisbezoek om haar woon- en leefsituatie te controleren. Het college trok daarop haar bijstand per 7 juni 2022 in, wat na bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.

In hoger beroep stelde appellante dat het huisbezoek niet nodig was en dat zij door psychische problemen niet kon overzien wat de weigering betekende. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot onderzoek en dat er een redelijke grond bestond voor het huisbezoek, gezien de discrepanties in de woon- en leefsituatie, het hoge waterverbruik, afvalgegevens en tegenstrijdige verklaringen van haar zoons.

De Raad verwierp het verweer dat het huisbezoek onnodig was en dat de weigering niet aan appellante kon worden toegerekend vanwege haar psychische toestand, omdat dit niet was onderbouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de intrekking van de bijstand in stand bleef en appellante geen proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-medewerking aan een huisbezoek wordt bevestigd.

Uitspraak

24/1128 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 april 2024, 22/2386 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
Datum uitspraak: 21 april 2026
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: A.A. Verweij
Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B.L. Krahmer.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Deze zaak gaat over de intrekking van de bijstand van appellante per 7 juni 2022. Deze intrekking heeft het college na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 september 2022 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek, dat zij daardoor haar medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep heeft ingesteld.
2.1. Appellante ontving geruime tijd bijstand op grond van de Participatiewet (PW) op haar uitkeringsadres, vanaf 1 september 2011 naar de norm voor een alleenstaande. Op 11 mei 2022 ontving een sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Regio Limburg Noord een melding van een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) van de afdeling toezicht en handhaving van de gemeente Venlo. Deze melding hield in dat een ‘wiet dump’ was gevonden met daarin adresgegevens van appellante, dat appellante toen schriftelijk was uitgenodigd voor een gesprek en dat één van de zoons van appellante de avond ervoor had gebeld met de mededeling dat zijn moeder in Turkije verbleef en hij niet wist hoelang ze daar bleef.
2.2. Naar aanleiding van deze melding heeft de sociaal rechercheur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer bij Waterleiding Maatschappij Limburg gegevens opgevraagd over het waterverbruik op het uitkeringsadres, bij de gemeente Venlo gegevens opgevraagd over afvalledigingen vanaf dat adres tot 17 mei 2022 en in de periode van 16 tot en met 24 mei 2022 in totaal acht waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres. Het waterverbruik op het uitkeringsadres bleek 158 m3 te zijn in de periode van 10 november 2019 tot en met 16 november 2020 en 98 m3 in de periode van 16 november 2020 tot 1 december 2021. Verder bleek in de periode van januari tot en met april 2022 negen tot veertien keer per maand restafval aangeboden te zijn vanaf het uitkeringsadres, tussen 1 en 4 mei 2021 vier keer en tussen 4 en 17 mei 2022 geen enkele keer. Bij de waarnemingen is een keer gezien dat er verschillende kledingstukken over de reling van het balkon hingen, is een keer gezien dat de stand van de gordijnen veranderd was en is tweemaal gezien dat er licht brandde in de woning van appellante.
2.3. Vervolgens heeft de sociaal rechercheur appellante opgeroepen voor een gesprek op 30 mei 2022. Omdat appellante zonder bericht van verhindering niet was verschenen op dat gesprek, heeft de sociaal rechercheur appellante opgeroepen voor een gesprek op 7 juni 2022. In een rapport van 4 juli 2022, waarin de bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen, staat dat de zoon van appellante op 30 mei 2022 telefonisch aan de coach van appellante bij de gemeente Venlo heeft laten weten dat appellante nog in Turkije verblijft en gevraagd of het een probleem zou zijn als zijn moeder pas in juli of zo beschikbaar is voor een afspraak, omdat ze dan pas terugkomt uit Turkije.
2.4. Op 7 juni 2022 heeft de sociaal rechercheur samen met een collega een gesprek gevoerd met appellante. Tijdens dat gesprek heeft appellante onder meer verklaard dat haar zoon best vaak bij haar blijft slapen, namelijk twee of drie keer per week, en later in dat gesprek dat haar zoon ook wel eens vier nachten bij haar blijft, dat hij persoonlijke spullen bij haar heeft liggen, te weten een pyjama, een T-shirt, en zijn tandenborstel, en dat hij dan bij haar slaapt en vanuit haar woning naar zijn werk gaat. Aan het eind van het gesprek heeft de sociaal rechercheur tegen appellante gezegd dat hij en zijn collega aansluitend aan het gesprek een huisbezoek aan haar woning willen afleggen om haar woon- en leefsituatie te controleren, omdat uit het onderzoek was gebleken dat daarvoor gegronde redenen waren. De sociaal rechercheur heeft aan appellante gevraagd of zij bereid is om daaraan mee te werken en dat zij dat mag weigeren, maar dat dat consequenties voor haar bijstand kan hebben. Appellante heeft gezegd dat ze niet bereid is om mee te werken aan het huisbezoek, met als reden: “Dat vind ik privé.”. De sociaal rechercheur heeft appellante een bedenktijd van vijftien minuten gegeven om daarover na te denken. Appellante heeft na die vijftien minuten gezegd: “Ik vind het nog steeds privé en wil dit niet.” De sociaal rechercheur heeft daarop uitgelegd dat de weigering om mee te werken consequenties kan hebben, in die zin dat haar bijstand kan worden beëindigd, en tegen appellante gezegd dat zij de keus had om mee te werken aan het huisbezoek. Appellante heeft daarop gezegd dat zij daaraan niet mee wil werken.
3. Appellante heeft in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat er geen aanleiding was voor het verrichten van een rechtmatigheidsonderzoek. Zij wijst erop dat er geen bewijs is van de ‘wiet dump’ en van het aantreffen van haar adresgegevens daarin en dat haar zoons ontkennen telefonisch te hebben doorgegeven dat zij in Turkije verbleef. Voor zover zij hiermee heeft willen aanvoeren dat het college niet bevoegd was om zo’n onderzoek in te stellen, slaagt die beroepsgrond niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.
3.1. Zoals de rechtbank heeft overwogen is het college op grond van artikel 53a van de PW bevoegd om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens, en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand, en dat die algemene onderzoeksbevoegdheid uit eigen beweging kan worden uitgeoefend, dus ook zonder voorafgaand signaal of vermoeden. Dit is vaste rechtspraak van de Raad. [1]
3.2. In dit geval was er wel een signaal, te weten de melding van een boa van 11 mei 2022. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze melding. Gelet op de algemene onderzoeksbevoegdheid van het college en de melding van 11 mei 2022 valt niet in te zien dat het college niet bevoegd zou zijn om onderzoek te laten doen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.
4. Wat appellante vervolgens heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek aansluitend aan het gesprek op 7 juni 2022. In feite was een huisbezoek niet nodig, zo stelt appellante, omdat zij al op andere wijze duidelijkheid had gegeven over haar verblijf in Nederland en haar woonsituatie. Zij heeft daarbij gewezen op het volgende. Haar beide zoons ontkennen telefonisch aan de gemeente Venlo te hebben doorgegeven dat appellante op vakantie was. Met het overleggen van haar paspoort en haar bankafschriften heeft appellante ook aangetoond dat zij in de periode vóór het gesprek niet in het buitenland heeft verbleven. Verder heeft appellante een verklaring gegeven over het hoge waterverbruik en de afvalgegevens, namelijk dat haar zoon haar pasje voor de vuilstort gebruikt om zowel het afval van appellante als zijn eigen afval te storten en dat haar zoon af en toe bij haar verblijft omdat het niet zo goed met haar gaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1. Aan het niet meewerken aan een huisbezoek kunnen pas gevolgen worden verbonden – in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand – als voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.2. Een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dat redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand én duidelijk is op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden daaraan kan worden getwijfeld. Ook moeten deze gegevens niet op een andere effectieve en voor de betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
4.3. Anders dan appellante heeft aangevoerd bestond in dit geval een redelijke grond voor een huisbezoek. Het waterverbruik op het uitkeringsadres bleek namelijk meer dan het dubbele te zijn dan het gemiddelde verbruik van een alleenstaande. Verder werd heel veel restafval aangeboden, was bij waarnemingen gezien dat gebruik werd gemaakt van de woning van appellante, terwijl één van de zoons van appellante tweemaal had doorgegeven dat appellante in het buitenland verbleef, en heeft appellante tijdens het gesprek op 7 juni 2022 verklaard dat haar zoon meerdere nachten per week verbleef in haar woning, daar overnachtingsspullen had en vanaf haar woning naar zijn werk vertrok. Op grond hiervan kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid van de opgegeven woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres. De door appellante verstrekte informatie over haar woon- en leefsituatie kon niet op een andere, voor haar minder belastende wijze worden geverifieerd.
4.4. Met de enkele ontkenning dat haar zoons met de gemeente Venlo hebben gebeld over haar verblijf in het buitenland, het overleggen van haar paspoort en bankafschriften en de verklaring over het hoge waterverbruik en de vele afvalledigingen heeft appellante de twijfel over haar woon- en leefsituatie niet weggenomen.
5. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat zij door haar psychische problemen niet kon overzien wat het huisbezoek en de weigering daarvan zouden kunnen betekenen en dat de weigering om mee te werken aan het huisbezoek niet aan haar kan worden tegengeworpen, omdat er gezien haar psychische problemen en persoonlijke omstandigheden reden was om haar meer bedenktijd dan vijftien minuten te geven. Deze beroepsgrond slaagt ook niet, alleen al omdat appellante haar stellingen op dit punt op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De Raad wijst er hierbij nog op dat hij eerder in andere uitspraken tot uitdrukking heeft gebracht dat een bedenktijd van vijf minuten niet te kort was. [3] De enkele verwijzing naar de psychische problemen van appellante en haar persoonlijke omstandigheden is onvoldoende om te oordelen dat in dit geval een langere bedenktijd dan vijftien minuten aan appellante had moeten worden gegeven.
6. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand in stand blijft. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.A. Verweij (getekend) W.F. Claessens

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231.
2.Zie de uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436, en herhaald in de uitspraak van 19 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:531.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4080.