Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:617

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/1673 TBSH
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 TBSHArtikel 3 TBSHArtikel 1 Kaderwet SZW-subsidiesArtikel 2 Kaderwet SZW-subsidiesArtikel 3 Kaderwet SZW-subsidies
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering tegemoetkoming ouderen Surinaamse herkomst op grond van TBSH bevestigd

Betrokkene, geboren in Suriname, verhuisde in 1969 naar Nederland maar keerde eind 1974 terug naar Suriname. Op 12 juli 2024 vroeg zij een tegemoetkoming aan op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). De minister wees de aanvraag af omdat betrokkene op 25 november 1975 niet in Nederland woonde, maar in Suriname.

De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en kende de tegemoetkoming toe, stellende dat het onredelijk bezwarend was om betrokkene het vereiste van verblijf in Nederland op die datum tegen te werpen, mede vanwege de uitvoeringspraktijk van de minister en bijzondere omstandigheden zoals mantelzorg en een verkeersongeval.

De minister ging in hoger beroep, stellende dat de doelgroep van het TBSH strikt is afgebakend en dat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden omdat zij op de peildatum in Suriname verbleef. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de minister de juiste uitleg gaf aan artikel 3 van Pro het TBSH en dat het verblijf in Suriname op 25 november 1975 niet onredelijk bezwarend was, mede omdat betrokkene na het overlijden van haar moeder en het ongeval tot 1982 werkzaam was in Suriname.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor de weigering van de tegemoetkoming in stand blijft. Er wordt geen griffierecht geheven en geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De weigering van de tegemoetkoming op grond van het TBSH wordt bevestigd omdat betrokkene op 25 november 1975 in Suriname verbleef.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1673 TBSH
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2025, 24/6674 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
[betrokkene] te [woonplaats] , Spanje (betrokkene)
Datum uitspraak: 21 mei 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om betrokkene in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Betrokkene is op 16 augustus 1969 vanuit haar geboorteland Suriname naar Nederland verhuisd, maar is eind 1974 teruggegaan naar Suriname. Op de aanvraag van betrokkene is afwijzend beslist op de grond dat betrokkene in Suriname verbleef toen de Toescheidingsovereenkomst op 25 november 1975 in werking trad. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze afwijzing stand houdt.

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak, gedeeltelijk met behulp van (video)bellen, behandeld op een zitting van 26 februari 2026. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. R. de Regt, mr. G.E. Eind, en mr. P. van der Voorn. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.
1.1.
Betrokkene is op [geboortedatum] 1944 geboren in Suriname. Van 16 augustus 1969 tot 5 december 1974 heeft betrokkene in Nederland gewoond. Daarna is zij teruggekeerd naar Suriname en heeft zij op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de Toescheidingsovereenkomst. [1]
1.2.
Op [geboortedatum] 2009 heeft betrokkene de voor haar voor de AOW [2] geldende pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar bereikt. Daarom is haar met ingang van die datum een AOW-pensioen toegekend. Op dit AOW-pensioen is een korting van 70% toegepast, omdat betrokkene niet verzekerd is geacht voor de AOW van [geboortedatum] 1959 tot en met 15 augustus 1969, van 6 december 1974 tot en met 5 mei 1983, en van 5 december 1989 tot en met 12 juli 2006.
1.3.
Op 12 juli 2024 heeft betrokkene een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. [3] Daarbij heeft betrokkene vermeld dat zij eind 1974 naar Suriname is gegaan om mantelzorg te verlenen aan haar toen terminaal zieke moeder. Kort nadat haar moeder begin 1975 was overleden heeft betrokkene bij een verkeersongeval ernstig letsel opgelopen. Dit heeft volgens betrokkene in de hand gewerkt dat zij tot 1983 in Suriname is gebleven.
1.4.
Bij besluit van 26 augustus 2024 is afwijzend beslist op de TBSH-aanvraag van betrokkene op de grond dat betrokkene op 25 november 1975 niet in Nederland woonde.
1.5.
Betrokkene heeft tegen het onder 1.4 genoemde besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 17 oktober 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is onder verwijzing naar artikel 3, aanhef en sub a, TBSH bepalend geacht dat betrokkene op 25 november 1975 in Suriname woonde. Zij voldoet dus niet aan de voorwaarden voor toekenning van de tegemoetkoming. Het TBSH biedt geen ruimte om vanuit een oogpunt van coulance rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van betrokkene, zoals door haar verzocht.
Uitspraak van de rechtbank
2. Betrokkene heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep heeft de rechtbank gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de minister het eenmalige bedrag van € 5.000,- aan betrokkene toekent. Daartoe is door de rechtbank overwogen dat – kort weergegeven – het vereiste van artikel 3, aanhef en sub a van het TBSH de aan te leggen exceptieve rechterlijke toetsing doorstaat, maar dat dit vereiste in betrokkenes geval buiten toepassing moet worden gelaten, omdat het onredelijk bezwarend is om betrokkene dit vereiste tegen te werpen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de vaste TBSH-uitvoeringspraktijk van de minister niet wordt beoordeeld of mogelijk rechthebbenden werkelijk met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in Nederland zijn gaan wonen, dat dit ertoe heeft geleid dat de groep TBSH-gerechtigden is uitgebreid met mensen die strikt genomen niet aan alle voorwaarden voldoen, en dat ook daarom niet is vol te houden dat mensen als betrokkene worden uitgesloten van een tegemoetkoming op grond van het TBSH. Dat betrokkene de Nederlandse nationaliteit op 25 november 1975 verloor doordat zij toen in Suriname verbleef kan haar naar het oordeel van de rechtbank bij de toepassing van het TBSH niet worden aangerekend. Betrokkene zou volgens de rechtbank zonder twijfel in aanmerking zijn gebracht voor een TBSH-tegemoetkoming, als zich in haar leven niet de bijzondere omstandigheden zouden hebben voorgedaan die zij al bij haar TBSHaanvraag heeft vermeld.
Het standpunt van de minister
3. De minister is het niet met de uitspraak van de rechtbank eens en heeft gevraagd om deze uitspraak te vernietigen en om het beroep van betrokkene alsnog ongegrond te verklaren. Daarbij is betwist dat de doelgroep van het TBSH is uitgebreid met mensen die strikt genomen niet aan alle geldende voorwaarden voldoen. Volgens de minister is de toepassing van het TBSH volledig in lijn met de door de regelgever afgebakende doelgroep, namelijk mensen die op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit op grond van de Toescheidingsovereenkomst hadden kunnen verliezen, maar dat hebben willen voorkomen. Betrokkene heeft omdat zij op 25 november 1975 in Suriname verbleef de Nederlandse nationaliteit verloren en behoort daarom niet tot de doelgroep van het TBSH. Dat betrokkenes verblijf in Suriname samenhing met omstandigheden waarop betrokkene geen of weinig invloed had, betekent volgens de minister niet dat het onredelijk bezwarend is dat zij geen TBSH-tegemoetkoming krijgt. De minister heeft benadrukt dat de bestuursrechter heel weinig ruimte heeft om de toepassing van de voorwaarden die zijn opgenomen in het TBSH te toetsen. Het TBSH voorziet in een financieel gebaar zonder dat daartoe een juridisch bindende verplichting bestond en de doelgroep van het TBSH is door de regelgever scherp en dwingend afgebakend met objectieve criteria die eenvoudig zijn te hanteren om zo ongewenste uitbreidingen van de doelgroep te voorkomen en een snelle uitvoering van het TBSH te bevorderen. Gelet op die context ziet de minister geen ruimte om uitzonderingen te maken op artikel 3 TBSH Pro.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft zij gewezen op haar lotgevallen, op haar gezondheidsklachten en op haar beperkte financiële mogelijkheden.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit inzake de weigering om aan betrokkene een tegemoetkoming toe te kennen op grond van het TBSH heeft vernietigd en terecht heeft bepaald dat de minister het eenmalige bedrag van € 5.000,- aan betrokkene toekent. De Raad doet dit aan de hand van wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de minister slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Juridisch kader
5.1.
Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van Pro het TBSH.
5.2.
Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Dit is bepaald in artikel 3 van Pro het TBSH.
Uitleg, toepassing en exceptieve toetsing van onderdeel a van artikel 3 van Pro het TBSH
5.3.
De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of betrokkene voldoet aan de voorwaarde dat zij uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, zoals artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH vereist. Daarbij staat vast dat betrokkene vóór 25 november 1975 in Nederland is komen wonen en dat zij, eveneens vóór 25 november 1975, weer naar Suriname is teruggekeerd, en dat zij op de peildatum zelf in Suriname woonde.
5.4.
Ter zitting heeft de minister toegelicht dat artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH zo wordt uitgelegd, dat voor het recht op een tegemoetkoming is vereist dat iemand in ieder geval uiterlijk 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen. Het wordt iemand niet tegengeworpen als hij op 25 november 1975 weer buiten Nederland woonde, mits niet in Suriname. Als de betrokkene op 25 november 1975 (weer) in Suriname woonde heeft hij volgens de minister geen recht op de tegemoetkoming. Dat volgt volgens de minister uit het vereiste dat iemand in Nederland is gaan wonen “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst”. Die overeenkomst verbond immers, voor personen die in Suriname zijn geboren, aan het wonen in Suriname op de peildatum het gevolg dat men de Surinaamse nationaliteit verkreeg. Dat staat in de weg aan het toekennen van de tegemoetkoming. Aan betrokkene wordt daarom in dit geval tegengeworpen dat zij in Suriname woonde op 25 november 1975.
5.5.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van vandaag, nr. 25/1548 [4] , onder 5.7, wordt voor de toepassing van artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH getoetst, of de betrokkene, ten eerste, uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, en, ten tweede, op 25 november 1975 niet in Suriname woonde of verbleef. Uit de nota van toelichting bij het TBSH volgt dat de regelgever met de voorwaarde dat de persoon “uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst”, het oog heeft gehad op personen die de Nederlandse nationaliteit hebben willen behouden en deze van rechtswege zouden hebben verloren als zij op dat moment in Suriname woonden of werkelijk verblijf hadden. Alleen deze personen voldoen dan ook aan het vereiste dat zij “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland zijn gekomen. Ouderen van Surinaamse herkomst die op een later moment dan 25 november 1975 naar Nederland zijn gekomen, vallen niet onder de doelgroep. De Raad acht de wijze van toetsing door de minister, tegen deze achtergrond, geen onjuiste uitleg van artikel 3, sub a in samenhang met artikel 2 van Pro het TBSH.
5.6.
Wat onder 5.5 is overwogen betekent dat in Suriname geboren mensen die, zoals betrokkene, wel vóór 25 november 1975 in Nederland zijn gaan wonen, maar op 25 november 1975 (opnieuw) in Suriname woonden of verbleven en later weer naar Nederland zijn teruggekeerd, niet voldoen aan alle vereisten van onderdeel a van artikel 3 van Pro het TBSH. Deze ouderen van Surinaamse herkomst behoren niet tot de doelgroep van het TBSH en worden om die reden niet in aanmerking gebracht voor de eenmalige TBSHtegemoetkoming.
5.7.
In de uitspraak van vandaag, nr. 25/1548, is bovendien geoordeeld dat artikel 3, onderdeel a van het TBSH, zoals hierboven uitgelegd, de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. Dat ook andere afbakeningen van de doelgroep denkbaar zijn in het licht van de bepalingen van de Toescheidingsovereenkomst maakt dat, gelet op de zeer terughoudende toets die de rechter dient te verrichten, niet anders. Wel rijst de vraag of het bestreden besluit in het geval van betrokkene niet onredelijk bezwarend uitpakt. Als dat wel zo is mag deze voorwaarde namelijk niet aan betrokkene worden tegengeworpen.
Concrete toetsing van het bestreden besluit
5.8.
Volgens de minister heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH ten opzichte van betrokkene buiten toepassing moet worden gelaten, omdat deze voorwaarde in haar geval onredelijk bezwarend uitpakt. Deze grond slaagt. Betrokkenes terugkeer naar Suriname in 1974 en het daaropvolgende verblijf in Suriname hield aanvankelijk verband met zwaarwegende omstandigheden die buiten haar invloedssfeer lagen. Maar naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat zij op 25 november 1975 (nog steeds) in een absolute overmachtssituatie verkeerde waardoor zij niet kon terugkeren naar Nederland. Na het overlijden van haar moeder en na het verkeersongeluk begin 1975 heeft betrokkene immers nog tot in 1982 als hoofd-typekamer gewerkt voor het Surinaamse Ministerie van Leger en Politie. Tegen die achtergrond valt niet in te zien dat zij geen enkele andere optie had dan (zolang) in Suriname te blijven. Toepassing van de betreffende voorwaarde pakt in het geval van betrokkene niet nadeliger uit dan door de regelgever is beoogd en is ook niet om andere redenen onredelijk bezwarend.

Conclusie en gevolgen

6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van de minister slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de weigering om aan betrokkene op grond van het TBSH een tegemoetkoming toe te kennen in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep van de minister slaagt wordt er van de minister geen griffierecht geheven. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het in eerste aanleg door betrokkene betaalde griffierecht is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Kaderwet SZW-subsidies
Artikel 1, eerste lid
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2.
Artikel 2
Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in:
het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid;
het arbeidsomstandighedenbeleid;
het arbeidsverhoudingenbeleid;
het inkomensbeleid;
het socialezekerheidsbeleid;
het kinderopvangbeleid;
het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid.
Het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst is een regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan is nadien overgenomen door andere bewindslieden die vallen onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 3, eerste lid
Onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidieregels worden gesteld met betrekking tot:
a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt;
b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
f. de vaststelling van de subsidie;
g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling;
h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten;
i. andere criteria voor de verstrekking van subsidie.
Artikel 9
Deze wet is, met uitzondering van artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op spoedeisende, tijdelijke verstrekking door Onze Minister van aanspraken op financiële middelen, niet zijnde subsidies, behoudens indien die aanspraak wordt verstrekt krachtens een andere wet.
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst
Artikel 2 Doel Pro van het besluit
Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheids-proces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.
Artikel 3V
oorwaarden recht op eenmalig bedrag
Een persoon heeft recht op een eenmalig bedrag, indien deze:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname
Artikel 1
1. Meerderjarig in de zin van deze overeenkomst zijn zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden. (…)
Artikel 21. Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van het Nederlanderschap tot gevolg.
2. Het verkrijgen van het Nederlanderschap ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van de Surinaamse nationaliteit tot gevolg.
Artikel 3De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.

Voetnoten

1.Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname.
2.Algemene Ouderdomswet.
3.Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst, Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386.