Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:626

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/1040 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en Wet WIA-uitkeringenArt. 36a WAOArt. 65 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens Belgisch rustpensioen

Appellant ontvangt sinds 1993 een WAO-uitkering en kreeg per 1 juni 2024 een Belgisch rustpensioen toegekend. Het UWV herzag daarop de WAO-uitkering en bracht het Belgische pensioen in mindering. Appellant maakte bezwaar, stellende dat het pensioen onterecht werd gekort en dat dit een inbreuk op zijn eigendomsrecht vormt.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Belgisch rustpensioen als ouderdomsuitkering moet worden aangemerkt volgens het Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en WIA-uitkeringen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellant af.

De Raad benadrukt dat de samenloopregeling bedoeld is om te voorkomen dat een verzekerde een hoger inkomen geniet dan het oorspronkelijke loon. Het feit dat het pensioen is opgebouwd via premies door appellant verandert hier niets aan. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen. De herziening van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering per 1 juni 2024 blijft in stand met inachtneming van het Belgisch rustpensioen.

Uitspraak

25/1040 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 mei 2025, 25/29 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt dat het Uwv in verband met een door appellant ontvangen Belgisch rustpensioen terecht de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2024 heeft herzien tot een bedrag van € 1.988,39 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Voor appellant is mr. Grégoire verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant ontvangt vanaf 7 augustus 1993 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Met een besluit van 31 juli 2024 heeft de Federale Pensioendienst van België appellant per 1 juni 2024 in aanmerking gebracht voor een rustpensioen van de Belgische overheid van € 337,83 bruto per maand.
1.3.
Met een besluit van 16 september 2024 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2024 herzien tot een bedrag van € 1.988,39 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.
1.4.
Met een beslissing op bezwaar van 17 december 2024 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 september 2024 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2024 heeft herzien in verband met de inkomsten van appellant uit het Belgisch rustpensioen.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het besluit van de Federale Pensioendienst van 31 juli 2024 blijkt dat sprake is van een toegekend rustpensioen op basis van een wettelijke uitkering in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd. Dit is door appellant ook niet meer bestreden in beroep. Naar het oordeel van de rechtbank moet het Belgisch rustpensioen op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en Wet WIA-uitkeringen met uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid (het Besluit) als een uitkering in de zin van dat artikel worden aangemerkt. Het Uwv is op grond van artikel 65, tweede lid, van de WAO, in samenhang bezien met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit verplicht om het Belgisch rustpensioen in mindering te brengen op de WAO-uitkering van appellant.
2.2.
Dat het Belgisch rustpensioen is opgebouwd vóór de start van de WAO-uitkering, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank heeft erop gewezen dat de betaling van het Belgisch rustpensioen in het heden plaatsvindt.
2.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de verwijzing naar de tekst op de website van het Uwv appellant niet kan baten, omdat daar de situatie aan de orde is bij het verkrijgen van een Nederlands pensioen. Bovendien staat op de pagina waarnaar appellant verwijst ook:
“Als u pensioen uit het buitenland ontvangt, geeft u dat aan ons door. Ook pensioen dat u in het buitenland heeft opgebouwd kan gevolgen hebben voor uw uitkering.” Daarmee heeft de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv de herziening van de WAO-uitkering ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 65, tweede lid, van de WAO, in samenhang bezien met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit. Volgens appellant is de samenloopregeling bedoeld om samenloop van (publiekrechtelijke) uitkeringen te voorkomen die in Nederland uit publieke gelden gefinancierd worden teneinde de sociale zekerheid betaalbaar te houden.
3.1.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het korten van het Belgisch rustpensioen als uitgesteld inkomen op een WAO-uitkering onjuist en onredelijk is en een onaanvaardbare inbreuk vormt op zijn eigendomsrecht. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat het Belgisch rustpensioen is opgebouwd via door hem betaalde premies uit zijn besteedbaar inkomen. De aanspraken die daarmee zijn opgebouwd, staan los van het Nederlands sociale zekerheidsstelsel en de (grondslag van) de WAO-uitkering.
3.2.
Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat als hij door het korten op de WAOuitkering een inkomen verliest dat losstaat van de arbeid die heeft geleid tot de WAOuitkering, de daarvoor afgedragen premies door het Uwv aan hem moeten worden vergoed.
3.3.
Tot slot heeft appellant, onder verwijzing naar de door hem aangehaalde tekst op de website van het Uwv, zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Op grond van artikel 65, tweede lid, van de WAO kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met een uitkering op grond van de sociale wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de sociale wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of van een andere Mogendheid.
5.2.
De in 5.1 bedoelde regels zijn neergelegd in het Besluit.
5.3.1.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit wordt bij samenloop over eenzelfde tijdvak van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO met een ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid toegekende ouderdomsuitkering, dan wel enige andere uitkering, welke in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd is toegekend, de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, als en voor zover deze het totale bedrag van deze uitkering overtreft.
5.3.2.
Op grond van artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WAO herziet het Uwv een toegekende uitkering of trekt hij die in als anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
5.3.3.
In artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv is het volgende bepaald: ‘Indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.’
5.3.4.
Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering van appellant is een belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het Uwv rust. [1] Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. [2]
5.4.
De beroepsgrond van appellant dat het Uwv ten onrechte op grond van artikel 65, tweede lid, van de WAO, in samenhang bezien met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit het Belgisch rustpensioen in mindering heeft gebracht op zijn WAOuitkering, slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.4.1.
Appellant heeft niet bestreden dat het Belgisch rustpensioen aan hem is toegekend in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Belgisch rustpensioen daarom moet worden aangemerkt als een ouderdomsuitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit. Anders dan appellant heeft aangevoerd, zijn voormelde artikelen erop gericht om de gevolgen van samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met een uitkering op grond van sociale wetgeving van een andere Mogendheid (in dit geval: België) te voorkomen of te beperken. De regelingen in de WAO (en later Wet WIA) zijn aldus mede bedoeld om te voorkomen dat een verzekerde door samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met andere inkomsten (zoals buitenlandse uitkeringen, pensioenen of loon) een inkomen geniet dat hoger is dan het oorspronkelijke loon. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 23 februari 2022. [3] Uit die uitspraak volgt dat voor het Besluit samenloop slechts van belang is dat een pensioenuitkering is toegekend.
5.4.2.
Wat appellant heeft aangevoerd over het betalen van premies voor de opbouw van het Belgisch rustpensioen en het, anders dan bij de Altersrente waarop de hiervoor genoemde uitspraak ziet, geen invloed hebben op de ingangsdatum van het Belgisch rustpensioen, leidt niet tot een ander oordeel. Indien het Uwv in de onderhavige situatie niet tot herziening zou zijn overgegaan, zou dat betekenen dat appellant een inkomen zou genieten dat hoger is dan zijn oorspronkelijke loon waarvoor de WAOuitkering compensatie biedt. De samenloopregeling voorkomt dat een dergelijke situatie kan ontstaan. De subsidiaire grond die in feite een herhaling is van voormelde beroepsgronden van appellant, behoeft geen bespreking meer.
5.4.3.
De uitspraken waarnaar appellant ter zitting heeft verwezen leiden niet tot een ander oordeel. De onderhavige situatie is niet vergelijkbaar met de gevallen die in die uitspraken aan de orde waren.
5.4.4.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het oordeel van de rechtbank daarover en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat herziening van de WAO-uitkering van appellant per 1 juni 2024 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2708.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:184.
3.CRvB 23 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:372, r.o. 4.4.