Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:630

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
24/2010 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1a:1 WajongCompendium Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet duurzaam ontbreken arbeidsvermogen

Appellante vroeg op 1 juli 2021 een Wajong-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval in 2019. Het UWV weigerde de uitkering omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er nog behandelmogelijkheden waren die de belastbaarheid konden verbeteren.

Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat de onderbouwing van het UWV onvoldoende was, met name over de termijn en het resultaat van behandelingen. Het UWV wijzigde tijdens het hoger beroep zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat dit niet is toegestaan omdat het UWV zijn eerdere standpunt ondubbelzinnig had prijsgegeven.

De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was, mede op basis van medische rapporten die behandelmogelijkheden en revalidatieprogramma’s beschreven. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24 /2010 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juli 2024, 22/824 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op 1 juli 2021 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P. van Mulken, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken overgelegd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Mulken. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Appellante heeft bij brief van 2 juni 2025 een reactie gegeven op een ter zitting door het Uwv gegeven toelichting en een nader stuk overgelegd.
Het Uwv heeft bij brief van 1 juli 2025 zijn zienswijze gegeven en een nader stuk overgelegd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2001, heeft met een door het Uwv op 1 juli 2021 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante sinds een verkeersongeval op [datum] juli 2019 hulp nodig heeft bij het doen van boodschappen, bij administratieve werkzaamheden en wandelen. Zij heeft begeleiding en is rolstoelafhankelijk. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van diverse specialisten. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 2 september 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 24 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vindt dat appellante geen taak kan uitvoeren, maar dat zij dat wel zou kunnen leren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geeft namelijk aan dat er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog behandelmogelijkheden zijn waarmee appellante haar belastbaarheid kan verbeteren. Dit betekent dat appellante geen arbeidsvermogen heeft, maar in de toekomst wel in staat is om arbeidsvermogen te ontwikkelen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante in verband met een scooterongeval bekend is met een bekkenfractuur, een enkelfractuur, amputatie van twee tenen links, een depressieve episode en PTSS. Er hebben diverse operatieve ingrepen plaatsgehad. De psychische klachten hebben vermoeidheid veroorzaakt. Appellante is niet in staat geacht een taak te vervullen. Dat betekent dat het arbeidsvermogen ontbreekt. Wat betreft de duurzaamheid heeft de rechtbank overwogen dat er rond de datum in geding nog mogelijkheden waren om mogelijke klachten te verminderen en de belastbaarheid te verbeteren. Appellante ervoer immers hinder van plaat en schroefmateriaal in haar bekken en uit de informatie van de behandelaars blijkt dat het verwijderen van dat materiaal mogelijk is omdat geen sprake meer was van instabiliteit. Verder was psychische begeleiding nog lopende en waren er geen aanwijzingen dat die begeleiding niet tot verbetering van de belastbaarheid zou kunnen leiden. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige inzichtelijk heeft gemotiveerd dat appellante wellicht in de toekomst wel een taak zou kunnen vervullen.
Het hoger beroep van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In dat kader heeft zij aangevoerd dat volgens vaste rechtspraak van de Raad [1] de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn. Indien de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een ingezette behandeling, dan is onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt volgens appellante. Verder is niet benoemd op welke termijn resultaat van die behandelingen te verwachten is. In de omstandigheid dat de belastbaarheid van appellante moeilijk te voorspellen is, alsmede welke beperkingen zullen resteren waardoor geen taak kan worden geselecteerd, ziet appellante een bevestiging van haar standpunt.
Het (gewijzigd) standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Bij brief van 24 januari 2025 heeft het Uwv het in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbreekt. Bij de behandeling ter zitting heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd en toegelicht dat uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 januari 2025 volgt dat appellante in staat wordt geacht een taak te vervullen en dat zij per 1 juli 2021 over arbeidsvermogen beschikt.
Nadere reactie van appellante
3.3.
Appellante heeft bij brief van 2 juni 2025 aangevoerd dat in bezwaar en beroep enkel de duurzaamheid ter discussie heeft gestaan. Het Uwv kan nu niet ten nadele van appellante nog zijn standpunt wijzigen. Bovendien volgt dit gewijzigde standpunt niet eenduidig uit de rapporten van 20 en 22 januari 2025. Appellante handhaaft haar standpunt dat het arbeidsvermogen op 1 juli 2021 duurzaam ontbreekt en dat zij per die datum voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad ziet aanleiding zich eerst uit te laten over de omvang van het geding in hoger beroep, nu het Uwv hangende het hoger beroep een gewijzigd standpunt heeft ingenomen.
4.2.1.
Wat appellante heeft aangevoerd over de wijziging van het standpunt van het Uwv treft doel. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, [2] handelt het bestuursorgaan in strijd met de goede procesorde als het de grondslag van het besluit vervangt door een grondslag die het bestuursorgaan in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Een vergelijkbare situatie doet zich hier voor.
4.2.2.
Het Uwv heeft in het bestreden besluit te kennen gegeven dat de Wajong-uitkering geweigerd wordt omdat weliswaar sprake is van het ontbreken van arbeidsvermogen op 1 juli 2021, maar dat dit niet duurzaam is. In reactie op een vraagstelling van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bericht dat de arbeidsdeskundige van mening is dat appellante op dat moment geen taak kon uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Tijdens de zitting van de rechtbank heeft het Uwv het standpunt dat geen taak kon worden geselecteerd vervolgens bevestigd.
4.2.3.
Het Uwv heeft hiermee bewust en ondubbelzinnig het standpunt, dat appellante op 1 juli 2021 beschikte over arbeidsvermogen, prijsgegeven. Onder deze omstandigheden kan het Uwv hier niet van terugkomen door in hoger beroep alsnog aan de besluitvorming ten grondslag te leggen dat appellante op 1 juli 2021 wel arbeidsvermogen had.
4.3.
Het voorgaande betekent dat de Raad zal beoordelen of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering, omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet als duurzaam kan worden aangemerkt, in stand heeft gelaten. Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.4.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn.
4.5.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
4.6.
Met inachtneming van het vorenstaande kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat op 1 juli 2021 niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellante zich konden ontwikkelen.
4.7.
Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.8.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 januari 2022 toegelicht op grond waarvan hij tot de conclusie is gekomen dat het arbeidsvermogen per 1 juli 2021 niet duurzaam ontbreekt. In dat verband heeft hij verwezen naar onder meer de informatie van de psycholoog drs. R.C.P.D. Stikvoort, werkzaam bij Artec Plus, van 5 en 14 november 2021, waarin is vermeld: “Het vervolg van het traject zal gericht zijn op verder afglijden te voorkomen en acceptatie te bevorderen, op het verder reduceren van de ongeval gerelateerde stress, op het stabiliseren en verhogen van de belastbaarheid, op adequate coping ten aanzien van de functionele beperkingen en het bevorderen van een actueel geldende balans.” Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in rapporten van 30 oktober 2023 en van 17 april 2024 een aanvullende toelichting gegeven op het ontbreken van duurzaamheid. Hij heeft hierbij overwogen dat het mentale en het fysieke welbevinden niet los van elkaar gezien kan worden en gesteld kan worden dat wanneer het een verbetert, dus bijvoorbeeld de fysieke klachten als gevolg van het verwijderen van het osteosynthesemateriaal (VOSM), het andere (mentale) ook opknapt. Verder is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook informatie die appellante in beroep had overgelegd van drs. P.W.A. Muitjens, revalidatie-arts bij Adelante besproken. Hieruit blijkt dat appellante vanuit revalidatiegeneeskundig oogpunt baat zou kunnen hebben bij een gedraggeoriënteerd revalidatieprogramma om te leren omgaan met chronische pijn en beperkingen. Het Uwv heeft hiermee een voldoende adequate onderbouwing gegeven dat bij appellante per datum aanvraag, 1 juli 2021, geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
4.9.
Gelet op 4.4 tot en met 4.8 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellante op 1 juli 2021 niet duurzaam was en appellante daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

4.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 20 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1295.