Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:637

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
23/3350 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 8:113 AwbArt. 4, derde lid, Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep slaagt: appellante moet als jonggehandicapte worden aangemerkt voor Wajong-uitkering

Appellante, geboren in 1996, was werkzaam tot 22 augustus 2017 waarna zij uitviel wegens ernstige gezondheidsproblemen. Het UWV weigerde haar een Wajong-uitkering toe te kennen omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam zou ontbreken. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat verbetering mogelijk was met adequate behandeling.

Appellante stelde in hoger beroep dat haar situatie duurzaam is en verwees naar diverse medische rapporten en zorgmachtigingen die haar blijvende beperkingen onderstrepen. De Raad liet een onafhankelijke verzekeringsarts een deskundigenrapport opstellen, die concludeerde dat appellante sinds 22 augustus 2017 duurzaam haar arbeidsvermogen heeft verloren en dat herstel niet te verwachten is.

De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel perspectief op verbetering bestaat. De deskundige heeft een zorgvuldig en consistent onderzoek verricht en de Raad volgt haar oordeel. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen waarbij appellante als jonggehandicapte wordt aangemerkt vanaf 22 augustus 2017.

Uitspraak

23/3350 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2023, 23/1229 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op 22 augustus 2017 duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat appellante per 22 augustus 2017 dient te worden aangemerkt als jonggehandicapte en dat het Uwv een besluit moet nemen over haar recht op een Wajong-uitkering.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Grijs, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een nadere reactie en een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 april 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Grijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft verzekeringsarts drs. M. RoosVervoort benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 10 oktober 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben op het deskundigenrapport gereageerd.
De deskundige heeft met een rapport van 22 december 2025 aanvullend gerapporteerd. Het Uwv heeft daarop nog gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een tweede zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1996, is vanaf 18 april 2017 werkzaam geweest als incassomedewerker bij een gerechtsdeurwaarder via een uitzendbureau gedurende 24 uur per week. Op 22 augustus 2017 is appellante uitgevallen voor haar werkzaamheden. Appellante heeft een uitkering op grond van de Ziektewet van het Uwv ontvangen. Appellante heeft een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Een verzekeringsarts heeft na onderzoek geconcludeerd dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft in verband met een opname. Vervolgens heeft het Uwv aan appellante bij besluit van 24 juli 2019 met ingang van 20 augustus 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is vastgesteld op 80 tot 100%. Vanaf 20 januari 2020 heeft appellante een WIAloonaanvullinguitkering ontvangen bij een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Appellante heeft met een door het Uwv op 30 november 2021 ontvangen formulier een aanvraag voor een (aanvullende) uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van androgenitaal syndroom (AGS), diabetes mellitus, autismespectrumstoornis (ASS), bipolaire stoornis en een schizotypische persoonlijkheidsstoornis. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van GGZ Breburg en een psychiater. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante vanaf 22 augustus 2017 geen arbeidsvermogen meer heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 21 april 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 17 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
2.2.
Voorts is niet gebleken dat de artsen van het Uwv een onvolledig beeld hebben gehad van de medische situatie van appellante. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Deze arts heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat verbetering niet kan worden uitgesloten. Door middel van adequate behandeling, begeleiding en ondersteuning, vooral gericht op het ontwikkelen van vaardigheden om zich staande te kunnen houden in het dagelijkse leven, en rekening houdend met de beperkingen van appellante, zou zij uiteindelijk op een redelijk niveau kunnen gaan functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat met adequate behandeling en begeleiding een meer dan geringe kans op herstel te verwachten is. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
2.3.
Het door appellante ingediende indicatiebesluit op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) van 15 februari 2023 van CIZ maakt dit niet anders. Dit besluit ziet op de aan appellante te verlenen zorg op basis van haar psychische problematiek die ook bekend was bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook de door appellante ter zitting genoemde jurisprudentie [1] treft daarom geen doel. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder meer een op appellante betrekking hebbend secondopinion rapport van CCE van 28 april 2022 bij haar beoordeling heeft betrokken. Van een enkel algemene conclusie, zoals appellante ter zitting heeft gesteld, is dan ook geen sprake.
Het hoger beroep van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft het volgende aangevoerd.
3.1.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van een algemene conclusie over therapie voor appellante. Appellante heeft al vanaf zeer jonge leeftijd intensieve behandeling en begeleiding gehad en dit alles heeft niet geleid tot een substantiële ontwikkeling en verbetering van de zelfredzaamheid van appellante. Zij zal nog steeds veel aansturing en dagelijkse begeleiding nodig blijven houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met de algemene conclusie dat behandeling mogelijk is en verbetering van de basale werknemersvaardigheden daarom niet is uitgesloten. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat behandeling ook in de specifieke situatie van appellante een reële optie is om haar mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te verbeteren. Volgens haar zorgverleners is appellante (blijvend) onvoldoende in staat om zonder intensieve zorg, toezicht en bijsturing haar probleemgedrag in de hand te houden of te verminderen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt er nog verbetering gezien vanuit een benadering passend bij ASS. Deze arts gaat er daarbij aan voorbij dat appellante op grond van de Wlz is aangewezen op 24-uurszorg in de nabijheid en soms permanent toezicht in verband met psychische en gedragsproblemen. Zij kan niet alleen worden gelaten en dit zal voor de rest van haar leven zo zijn.
3.2.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat appellante duurzaam geen arbeidsvermogen heeft, heeft zij verwezen naar het rapport van 28 april 2022 van CCE, een psychodiagnostisch onderzoek uit februari 2024 van Pluryn, een begeleidingskaart van 4 juni 2024 van Pluryn, een brief van 16 augustus 2024 en een rapport van een psychiater van 27 augustus 2024 over een machtiging voortzetting crisismaatregel (verplichte zorg) en een door de rechtbank Midden-Nederland op 13 februari 2025 verleende zorgmachtiging aan Altrecht.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 november 2024.
Het deskundigenonderzoek
5. Bij de Raad is op basis van de voorliggende medische informatie twijfel gerezen over de medische beoordeling per 30 november 2021 (datum aanvraag) en over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen van appellante duurzaam is en of de duurzaamheid is ontstaan in de periode die voor de Wajong relevant is, te weten van [geboortedatum] 2014 tot [geboortedatum] 2019 (van appellantes achttiende tot 23e verjaardag). Daarom heeft de Raad het aangewezen geacht om zich te laten adviseren door een deskundige verzekeringsarts.
5.1.
De deskundige heeft op 10 oktober 2025 een rapport uitgebracht en op basis van haar bevindingen bij onderzoek geconcludeerd dat appellante op de datum van de aanvraag (30 november 2021) klachten en beperkingen ondervond van ASS, emotieregulatieproblematiek, psychose, dwangmatigheden, AGS, Diabetes mellitus type II, morbide obesitas en bipolaire stemmingsstoornis. Appellante heeft per 22 augustus 2017 duurzaam haar arbeidsvermogen verloren. Sinds augustus 2017 is er geen verbetering in het toestandsbeeld beschreven van appellante, vanaf die datum is er een aaneenschakeling van gedwongen opnames, crisisinterventies en suïcidaliteit. Het adviesrapport van CCE van 28 april 2022 concludeert dat alleen een zeer gespecialiseerde woonvorm met meerdere randvoorwaarden enige stabiliteit zou kunnen bieden. Dit wordt echter niet als een reële behandelmogelijkheid gezien, met name niet met de kennis van nu (er is tot op heden geen dergelijke plek gevonden en/of beschikbaar). In de periode voor 2017 functioneerde betrokkene wel, zij behaalde diploma’s en heeft een baan gehad. Voor die datum was er geen arbeidsongeschiktheid. Vanaf de uitval in 2017 is het arbeidsvermogen verdwenen en niet meer teruggekeerd, de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid zal ergens in 20172018 zijn ingetreden en daarmee binnen de beoordelingsperiode tot [geboortedatum] 2019.
Reacties van appellante en het Uwv op het deskundigenrapport
5.2.
Appellante kan zich vinden in het rapport van de onafhankelijke verzekeringsarts.
5.3.
In zijn zienswijze heeft het Uwv verwezen naar een nader rapport van 13 november 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht zich niet te kunnen vinden in de conclusies van de deskundige. Na appellantes uitval in 2017 heeft zij nog diverse behandelingen, ook opnames, gehad voor met name de depressieve klachten. Het is de vraag in hoeverre adequate behandeling gevolgd is dan wel kon worden. Appellante is vanaf 19 maart 2019 gestart bij een FAST-traject binnen team persoonlijkheidsstoornissen waarbij de behandeling was ingezet op stabilisatie, dagstructuur en het aanleren van vaardigheden. Na evaluatie van het FAST-traject zou gekeken worden of daarna nog een vervolg op dit traject zou moeten plaatsvinden of dat er andere zorg nodig was. Gelet hierop kan niet geconcludeerd worden dat op (lees: voor) het 23e levensjaar ( [geboortedatum] 2019) sprake was van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Er was sprake van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid. Uit een testrapport van GGZ Breburg van 12 november 2019 blijkt dat men diagnostiek had gedaan met als doel om een advies te vormen over een plan van aanpak waardoor appellante zelf meer grip zou gaan ervaren op haar instabiele stemming en crisismomenten. Hieruit kan worden afgeleid dat de behandelende sector met (meest) adequate diagnostiek tot (meest) adequate behandeling(en) en begeleiding van appellante wilde komen. Ook GGZ Breburg zag dus potentie tot verbetering van de medische situatie dan wel van het dagelijkse functioneren van appellante. De conclusie van de deskundige, dat het advies van CCE geen reële behandelmogelijkheid is, kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet volgen omdat de conclusie in 2025 is genomen, geruime tijd na de beoordelingsperiode 2014-2019, en in feite teruggeredeneerd wordt naar de beoordelingsperiode. De deskundige heeft niets gezegd over de verwachting van de medische situatie en het functioneren van appellante en over de adequaatheid van behandelingen.
Nadere reactie deskundige
5.4.
In haar nadere rapport van 22 december 2025 heeft de deskundige geconcludeerd dat de zienswijze van het Uwv geen aanleiding geeft om een ander standpunt in te nemen. Sinds 2017 is sprake van een ernstig en chronisch psychiatrisch toestandsbeeld, met structurele ontregeling, suïcidaliteit en noodzaak tot intensieve begeleiding, zonder dat sindsdien herstel of stabilisatie is opgetreden. Dat rond het 23e levensjaar nog behandeltrajecten liepen, waaronder het FAST-traject, betekent niet dat sprake was van een reëel herstelperspectief richting arbeidsvermogen. Deze trajecten waren primair gericht op stabilisatie en crisisreductie en niet op het ontwikkelen van belastbaarheid of werknemersvaardigheden. Uit het verdere beloop blijkt dat deze interventies niet hebben geleid tot verbetering van het functioneren, hetgeen het ontbreken van arbeidsvermogen bevestigt. De suggestie dat behandelmogelijkheden niet adequaat zijn benut, is niet doorslaggevend binnen het Wajong-kader. De Wajong 2015 vereist geen maximale behandeluitputting, maar een beoordeling van de reële kans op verbetering. Uit het langdurige en intensieve behandelverloop blijkt dat, ondanks inzet van diverse vormen van zorg, geen duurzaam herstel of functionele verbetering is bereikt. De verwijzing naar diagnostiek en behandelintenties bij GGZ Breburg onderbouwt evenmin een reële ontwikkelkans. Dat behandelaars verbetering nastreefden, betekent niet dat deze ook medisch aannemelijk was. Het CCEadvies bevestigt dat sprake is van een structureel kwetsbaar functioneren, waarbij slechts onder zeer specialistische en in de praktijk nauwelijks beschikbare randvoorwaarden enige stabiliteit mogelijk zou zijn. Dat dit advies van latere datum is, doet niet af aan de waarde ervan voor de prognose, maar onderstreept juist het langdurige en onveranderde karakter van de beperkingen. Van achteraf redeneren is geen sprake, aldus de deskundige.
Nadere reactie van het Uwv
5.5.
Het Uwv heeft een nader rapport van 18 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Hierin heeft zij herhaald dat appellante in maart 2019 is gestart aan een FASTtraject, waarmee in ieder geval de eerste stap was gezet naar het geleidelijk aan verbeteren van het functioneren van appellante in het dagelijkse leven. Daarna zou een evaluatie volgen voor een eventueel vervolgtraject of andere zorg. Met andere woorden was appellante aan het begin van een aannemelijk langdurig proces van behandeling en begeleiding.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, eerste lid en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het tweede lid kan een ingezetene alsnog als jonggehandicapte worden aangemerkt en in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat hij op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
6.2.
Niet in geschil is dat appellante op 22 augustus 2017 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
6.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [2] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [3] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet WIA [4] kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [5]
6.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
6.5.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het deskundigenrapport van 10 oktober 2025 (inclusief de nadere reactie van 22 december 2025) van verzekeringsarts Roos-Vervoort geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellante op een spreekuur gezien. Zoals blijkt uit de opsomming en samenvatting van de medische gegevens van de behandelend sector en van het Uwv in het rapport, heeft de deskundige kennisgenomen van alle medische stukken. Ook heeft zij een eigen onderzoek verricht. De deskundige heeft inzichtelijk en consistent uiteengezet dat en waarom appellante vanaf 22 augustus 2017 duurzaam haar arbeidsvermogen heeft verloren. Tot slot heeft de deskundige op 22 december 2025 onderbouwd gereageerd op de zienswijze van het Uwv op het deskundigenrapport. In beide rapporten heeft de deskundige overtuigend gemotiveerd dat sinds 22 augustus 2017 sprake is van een ernstig en chronisch psychiatrisch toestandsbeeld, dat sindsdien geen herstel of stabilisatie is opgetreden en dat er geen reële behandelmogelijkheden zijn gericht op verbetering van appellantes functioneren en daarmee het (weer) ontwikkelen van arbeidsvermogen. Daarbij heeft de deskundige terecht gewezen op de intensieve en langdurige behandeltrajecten die appellante heeft ondergaan, die feitelijk zonder perspectief op ontwikkeling en herstel zijn gebleken. Het nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2026 is een herhaling van een eerder standpunt en doet hier niet aan af.
6.6.
Nu het Uwv er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat niet is uitgesloten dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan, moet ervan worden uitgegaan dat het ontbreken van arbeidsvermogen in het geval van appellante duurzaam is te achten. Daarmee voldoet appellante op 22 augustus 2017, toen zij 21 jaar was, aan de voorwaarden van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong, zodat zij als jonggehandicapte moet worden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

6.7.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Het Uwv zal er daarbij vanuit dienen te gaan dat appellante op 22 augustus 2017 is aan te merken als jonggehandicapte in de zin van artikel 1a:1 van de Wajong. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
7. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, en 0,5 punt voor de ingediende zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 4.203,-. Van gemaakte kosten in de bezwaarprocedure is niet gebleken.
8. Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 januari 2023;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat beroep tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) D. Semiz

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.CRvB 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:966 en 2 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1475.
2.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
4.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
5.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.