Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:638

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/973 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering ondanks combinatie autisme, ADHD en hoogbegaafdheid

Appellante heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering, die in 2010 en 2012 door het UWV zijn afgewezen op grond van haar verdiencapaciteit. In 2022 diende zij een nieuwe aanvraag in, waarbij zij stelde dat haar combinatie van autisme, ADHD en hoogbegaafdheid onvoldoende was meegewogen. Het UWV weigerde terug te komen op de eerdere besluiten, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was er geen persoonlijk spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts. De rechtbank vond dat de nieuwe medische stukken geen nieuwe informatie bevatten over haar belastbaarheid in 2010 en 2012.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om terug te komen op de eerdere besluiten. Ook was er geen noodzaak om een deskundige te benoemen of appellante toe te staan nieuwe stukken in te dienen. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht weigert terug te komen op de eerdere besluiten die de Wajong-uitkering van appellante afwezen.

Uitspraak

25/973 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 april 2025, 23/5343 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van de besluiten van 28 oktober 2010 en 2 maart 2012, waarin het Uwv de aanvragen van appellante om een Wajong-uitkering heeft afgewezen.
Appellante vindt dat het Uwv bij de beoordeling van haar eerste en tweede aanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met de combinatie van haar autisme, ADHD en hoogbegaafdheid. Uit de omstandigheden dat appellante opleidingen heeft gevolgd, maar niet in staat is geweest deze af te ronden en dat zij heeft gewerkt, maar dat dit heeft geleid tot burn-outs, blijkt volgens appellante dat zij recht heeft op een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van de besluiten van 28 oktober 2010 en 2 maart 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.H. Jansen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1987, heeft in 2010 verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat appellante meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met een door het Uwv op 2 januari 2012 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een aanvraag Wajong ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts geoordeeld dat voor appellante meer beperkingen moeten worden vastgelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) dan bij de beoordeling van de eerste aanvraag was gedaan. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante met deze gewijzigde FML nog steeds in staat is om tenminste het maatmaninkomen te verdienen. Met een besluit van 2 maart 2012 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering, omdat zij 100% of meer van het minimumloon kan verdienen. Ook tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Appellante heeft met een door het Uwv op 24 mei 2022 ontvangen formulier nogmaals een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Daarbij is vermeld dat appellante ADHD, autisme, astma, PDS en PMS heeft en dat zij last heeft van overprikkeling. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van onder meer haar huisarts van 16 december 2021 en van GGNet van 14 juni 2011. Het Uwv heeft vervolgens een sociaalmedische beoordeling verricht, waarbij appellante op het spreekuur is gezien. Geconcludeerd is dat geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden, dat een eventuele toename van dezelfde klachten als op achttienjarige leeftijd al is beoordeeld in 2012, toen appellante inmiddels 25 jaar was en dat een toename van klachten tijdens en na studie niet aan de orde is, omdat het bij appellante niet gaat om een nieuwe ziekte of aandoening. Met een besluit van 7 januari 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd terug te komen van de eerdere besluiten uit 2010 en 2012.
1.4.
Bij besluit van 26 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Met betrekking tot de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek heeft de rechtbank overwogen dat dit zorgvuldig heeft plaatsgevonden, ook al is zij uitsluitend onderzocht door een arts en niet door een geregistreerd verzekeringsarts. Van belang hierbij is dat het gaat om een beoordeling of sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ten opzichte van de eerdere besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordeling in 2010 en 2012, en niet om de huidige medische situatie van appellante. Verwijzend naar vaste rechtspraak is in een dergelijk geval een persoonlijk onderzoek in de zin van een spreekuurcontact door een verzekeringsarts niet noodzakelijk.
2.2.
Volgens de rechtbank hebben de artsen van het Uwv toereikend gemotiveerd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het school- en arbeidsverleden van appellante was al betrokken bij de beoordelingen in 2010 en 2012. Verder heeft het Uwv terecht gesteld dat de nieuwe inzichten over autisme bij vrouwen ook geen novum vormen, nu appellante niet heeft onderbouwd wat dit in haar concrete geval betekent. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat als in 2010 en 2012 bekend was geweest wat nu bekend is over autisme bij vrouwen, dit toen tot een andere beoordeling zou hebben geleid. Tot slot zijn de stukken die appellante bij deze aanvraag heeft overgelegd niet aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden. Het zijn weliswaar voor een deel nieuwe stukken, maar zij bevatten geen nieuwe medische informatie over de belastbaarheid van appellante in 2010 en 2012. Daar komt bij dat het rapport van 14 juni 2011 al was betrokken bij de medische beoordeling in 2012.
2.3.
Ook slaagt het beroep op toegenomen klachten niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat alleen een nieuwe periode van vijf jaar aanvangt na het einde van de studie als sprake is van een andere ziekteoorzaak. Uit de medische informatie die appellante bij haar aanvraag heeft overgelegd, is niet gebleken dat appellante in 2014 met haar studie is gestopt vanwege een toename van beperkingen als gevolg van een andere ziekteoorzaak.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, en dat in haar geval wel een persoonlijk contact met de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rede lag. Daarbij is onvoldoende onderzocht welke beperkingen appellante in haar specifieke geval ondervond van de combinatie van de aandoeningen. Verder heeft appellante herhaald dat de door haar verstrekte nieuwe informatie ertoe had moeten leiden dat expliciet was gevraagd naar het slaapvermogen van appellante en haar energetische beperkingen als gevolg van de complexe diagnoses in samenhang bezien. Gelet op haar arbeidsverleden is ook sprake van veranderde omstandigheden. Tot slot heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het evident onredelijk is om niet van de eerdere besluiten terug te komen en verzocht om een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de besluiten uit 2010 en 2012 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zorgvuldigheid onderzoek
5.1.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten om de reden dat geen spreekuur met een geregistreerd verzekeringsarts heeft plaatsgevonden en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met een dossieronderzoek. Het gaat in dit geval om een beoordeling of sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ten opzichte van de besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordeling in 2010 en 2012. Uit vaste rechtspraak volgt dat een (persoonlijk) onderzoek in de zin van een spreekuurcontact door een verzekeringsarts daarbij niet noodzakelijk is. [1]
Terugkomen van de besluiten van 28 oktober 2010 en 2 maart 2012
5.2.
Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellante beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2] Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat het stuk van de huisarts van 16 december 2021, dat appellante bij haar nu in geding zijnde aanvraag heeft overgelegd, weliswaar nieuw is, maar dat de artsen van het Uwv voldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom dit stuk geen nieuwe medische informatie bevat over de belastbaarheid van appellante ten opzichte van de uitgevoerde medische beoordelingen in 2010 en 2012. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat appellante geen beroep kan doen op toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens of na haar studie. Het moet dan gaan om een andere ziekteoorzaak dan die speelde op het achttiende jaar. [3] Daarvan is niet gebleken en op dat standpunt heeft appellante zich ook niet gesteld.
5.4.
De rechtbank heeft daarom op goede gronden geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat terug te komen van de besluiten van 28 oktober 2010 en 2 maart 2012. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door appellante verzocht. Ook bestaat geen aanleiding appellante nog de gelegenheid te bieden nieuwe stukken in te dienen om nader te kunnen onderbouwen wat het autisme in combinatie met de ADHD en de hoogbegaafdheid voor haar heeft betekend tussen haar 18e en 23e jaar. Volgens vaste rechtspraak kunnen nieuwe stukken ter onderbouwing van eerder ingenomen stellingen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht. [4]

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van de besluiten uit 2010 en 2012 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:272.
2.Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1964.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 20 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:447.