Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:640

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/970 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en zorgvuldigheid medisch onderzoek door UWV

Appellant, werkzaam als zorgverlener, meldde zich ziek met klachten aan zijn rechterschouder en betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van respectievelijk 39,81% per 22 april 2020 en 39,75% per 29 juni 2022. Hij stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen groter waren dan aangenomen.

De rechtbank Overijssel oordeelde eerder dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat appellant niet door een verzekeringsarts was onderzocht tijdens bezwaar en beroep. Het UWV voerde daarop een nieuw onderzoek uit waarbij appellant wel door een verzekeringsarts werd gezien. De rechtbank verklaarde het beroep toen ongegrond en handhaafde het besluit.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt over toegenomen beperkingen, onderbouwd met een brief van een fysiotherapeut. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij de verzekeringsarts alle relevante medische informatie, inclusief MRI-uitslagen en fysiotherapeutische rapporten, had betrokken. Er was geen medische grond voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

De arbeidsdeskundige had op basis van de juiste belastbaarheid passende functies geselecteerd. De Raad concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een gedegen arbeidskundige beoordeling bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

25/970 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 april 2025, 24/4015 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 april 2020 heeft vastgesteld op 39,81% en per 29 juni 2022 op 39,75% naar aanleiding van een melding van appellant dat bij hem sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Volgens appellant is het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig geweest en heeft hij meer (medische) beperkingen door zijn lichamelijke klachten, dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 april 2020 en per 29 juni 2022 juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Namens appellant is mr. Kaya verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was laatstelijk werkzaam als zorgverlener voor 20,23 uur per week. Op 3 juni 2010 heeft hij zich ziekgemeld met klachten aan zijn rechterschouder. Het Uwv heeft geweigerd appellant na afloop van de wachttijd een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.2.
Appellant heeft zich op 24 januari 2017 bij het Uwv gemeld met toegenomen schouderklachten met ingang van 23 mei 2016. Het Uwv heeft aan appellant vanaf 23 mei 2016 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is per 6 maart 2017 vastgesteld op 38,68%, waarna het Uwv appellant per 6 april 2017 in aanmerking heeft gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Per 11 september 2017 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 35,58%. Bij besluit van 19 juni 2019 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 31 augustus 2018 vastgesteld op 39,79%. Hieraan ligt een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 april 2019 ten grondslag. Het besluit van 19 juni 2019 is bij een uitspraak van de Raad van 5 oktober 2022 in rechte onaantastbaar geworden. [1]
1.3.
Op 2 juli 2020 heeft appellant zich bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten per 22 april 2020. Naar aanleiding van deze melding heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts van het Uwv en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft geconcludeerd dat geen sprake is van structurele toegenomen beperkingen per 22 april 2020. Appellant heeft wel tijdelijk een toename van de schouderklachten ervaren door werkzaamheden die hij tijdelijk heeft verricht, en die de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant overschreden. Dit betreft echter geen structurele toename van beperkingen. Dit wordt volgens de arts van het Uwv bevestigd door de informatie van 5 oktober 2020 van de orthopedisch chirurg over een MRI-scan van de rechterschouder in september 2020. De belastbaarheid van appellant per 22 april 2020 is vastgelegd in een FML van 16 september 2022. Op basis van informatie van de behandelend fysiotherapeut van 2 september 2022 heeft de arts van het Uwv aanleiding gezien om per 29 juni 2022, de datum van het spreekuurcontact, een beperking aan de FML toe te voegen op het belastingpunt 4.4 (werken met toetsenbord en muis). Op basis van twee afzonderlijke FML’s, geldig per 22 april 2020 en per 29 juni 2022, heeft de arbeidsdeskundige voor appellant functies geselecteerd. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 april 2020 vastgesteld op 39,81% en per 29 juni 2022 op 39,75%.
1.4.
Bij besluit van 12 oktober 2022 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 april 2020 vastgesteld op 39,81%. Bij afzonderlijk tweede besluit van 12 oktober 2022 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 juni 2022 vastgesteld op 39,75%. Appellant heeft tegen beide besluiten van 12 oktober 2022 bezwaar gemaakt.
1.5.
Bij twee afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 18 augustus 2023 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 12 oktober 2022 ongegrond verklaard.
1.6.
Appellant heeft tegen deze beslissingen op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 september 2024, 23/1946 en 23/1947, heeft de rechtbank Overijssel de beroepen van appellant gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar van 18 augustus 2023 vernietigd en het Uwv opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van appellant met inachtneming van de uitspraak. [2] Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant moet vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat appellant zowel primair als in bezwaar niet door een verzekeringsarts is gezien tijdens een spreekuurcontact. De rechtbank heeft appellant gevolgd in zijn standpunt dat bij een onderzoek door een verzekeringsarts (de duurzaamheid van) de schouderproblematiek vastgesteld had kunnen worden. Over de slaapproblematiek heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat deze niet leidt tot extra beperkingen. De rechtbank heeft het Uwv opdracht gegeven een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek te verrichten naar (de duurzaamheid van) de schouderproblematiek van appellant. Indien nodig, zal het Uwv vervolgens opnieuw een onderzoek moeten laten verrichten door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
1.7.
Het Uwv heeft uitvoering gegeven aan de in 1.6 genoemde uitspraak van 6 september 2024 door een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek te verrichten waarbij appellant tijdens een spreekuurcontact is gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Bij beslissing op bezwaar van 16 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant opnieuw ongegrond verklaard en de twee besluiten van 12 oktober 2022 gehandhaafd. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 oktober 2024 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv met het alsnog uitgevoerde spreekuurcontact door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan het medisch oordeel van het Uwv over de belastbaarheid van appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het Uwv zijn belastbaarheid heeft overschat. Er is sprake van toegenomen beperkingen door klachten aan zijn rechterschouder. Appellant verwijst in dit verband naar een brief van de fysiotherapeut van 2 september 2022 waarin is vermeld dat bewegingen die vaker herhaald worden dan twintig keer, zorgen voor zeurende pijnklachten. Volgens appellant heeft het Uwv hiermee onvoldoende rekening gehouden bij het vaststellen van zijn belastbaarheid. Het gaat daarbij niet alleen om de belastingpunten reiken en frequent reiken maar ook om overige bewegingen met de schouder, zoals bijvoorbeeld het gebruik van toetsenbord en muis, boven schouderhoogte werkzaam zijn en dragen, tillen, duwen en trekken. Omdat bij de beoordeling van de belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met de informatie van de fysiotherapeut, is het medisch onderzoek van het Uwv volgens appellant nog steeds onzorgvuldig.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 april 2020 en per 29 juni 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 april 2020 terecht heeft vastgesteld op 39,81% en per 29 juni 2022 op 39,75%.
Medische beoordeling
5.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv met het alsnog uitgevoerde spreekuurcontact door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. Ook wordt er geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Hiertoe wordt overwogen dat zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onderzoek aan de schouders hebben verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens het spreekuurcontact op 9 oktober 2024 de schoudergewrichten geïnspecteerd, een actief bewegingsonderzoek uitgevoerd en de spierkracht van de schouders onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat, gezien de mate van mobiliteit in de rechterschouder en de spierkracht van de musculatuur rond de rechterschouder en rechterelleboog, zoals is waargenomen bij eigen gericht fysiek onderzoek, er geen medische reden is om op beide data in geding een verdergaande beperking aan te nemen voor het frequent reiken tijdens het werk. Appellant is ten aanzien van de beoordelingspunten reiken en frequent reiken tijdens het werk met rechts op deze beoordelingspunten respectievelijk reeds beperkt en sterk beperkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de brief van de orthopedisch chirurg van 5 oktober 2020 over de uitslag van een MRI-scan van de rechterschouder in september 2020 meegenomen in de heroverweging, evenals de brief van 2 september 2022 van de fysiotherapeut. De in de brief door de orthopedisch chirurg aangegeven beperkte artrotische degeneratie van het rechter schoudergewricht geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen verklaring voor de geclaimde verdergaande beperking voor frequent reiken tijdens het werk. Ook de brief van 2 september 2022 van de fysiotherapeut geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om verdergaande beperkingen aan te nemen. Hiertoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat het standpunt van de fysiotherapeut dat bewegingen die vaker moeten worden herhaald dan twintig keer voor zeurende pijnklachten zorgen, niet wordt ondersteund door bevindingen uit hernieuwd beeldvormend onderzoek waaruit blijkt dat de medische situatie van het rechter schoudergewricht is verslechterd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat er geen reden is om voor appellant meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en wordt daarom gevolgd.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid per 22 april 2020 en per 29 juni 2022, heeft het Uwv voor beide data in geding voldoende gemotiveerd dat de aan de schattingen ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat het bestreden besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 april 2020 is vastgesteld op 39,81% en per 29 juni 2022 is vastgesteld op 39,75%, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

(getekend) D. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 5 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2127.
2.Rb. Overijssel 6 september 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4692.