ECLI:NL:CRVB:2026:640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid bij toegenomen schouderklachten
Appellant, werkzaam als zorgverlener, meldde zich ziek met klachten aan zijn rechterschouder en betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures stelde de rechtbank Overijssel in 2024 dat het medisch onderzoek door het UWV onzorgvuldig was, omdat appellant niet door een verzekeringsarts was onderzocht. Het UWV voerde daarop een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit waarbij appellant wel werd gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit nieuwe onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. De verzekeringsarts heeft de schouder onderzocht, relevante medische informatie, waaronder MRI-uitslagen en fysiotherapeutische rapporten, betrokken en concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft op basis van deze medische beoordeling passende functies geselecteerd.
De Raad volgt het standpunt van het UWV dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 april 2020 en 29 juni 2022 juist is vastgesteld. Het hoger beroep van appellant wordt verworpen, waardoor de eerdere besluiten in stand blijven. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op circa 39,8%.