Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:657

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
26/331 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen verzetsuitspraken rechtbank

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank Den Haag waarin zijn verzet tegen eerdere uitspraken was afgewezen. De rechtbank had in deze verzetsprocedures appellant de mogelijkheid geboden zijn standpunten mondeling toe te lichten tijdens zittingen, welke hij ook heeft benut.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het appèlverbod van toepassing is op uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij er sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen. Appellant stelde dat hij niet over het volledige dossier beschikte en zijn gronden nog wilde aanvullen, waardoor zijn recht op een eerlijk proces zou zijn geschonden.

De Raad oordeelt echter dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verzetsrechter de procesorde heeft geschonden of dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Appellant had toegang tot de rechter en heeft van de gelegenheid tot mondelinge behandeling gebruik gemaakt. Er is geen bewijs dat hij niet over de dossiers beschikte.

Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep zonder inhoudelijke behandeling af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep af.

Uitspraak

26/331 PW, 26/332 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
26/331 PW, 26/332 PW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
12 december 2025, 24/9467 V en 19 december 2025, 24/9466 V (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 19 mei 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank beslist op de verzetten van appellant tegen twee uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraken zijn uitspraken als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.
In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. [1]
Appellant betoogt dat de rechtbank zijn beroep zonder inhoudelijke behandeling heeft afgedaan, terwijl hij niet beschikte over het volledige dossier en hij expliciet had aangegeven zijn gronden na ontvangst verder te zullen aanvullen. Samenvattend stelt appellant zich op het standpunt dat hem hierdoor feitelijk de mogelijkheid is ontnomen om zijn zaak effectief te bepleiten, hetgeen een schending oplevert van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Dit betoog treft geen doel. Appellant heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat met de aangevallen uitspraken dat rechtsbeginsel door de verzetsrechter van de rechtbank is geschonden of dat deze de eisen van een goede procesorde niet in acht heeft genomen. Appellant heeft in de verzetsprocedures immers toegang gehad tot de rechter. De verzetsrechter van de rechtbank heeft appellant in beide zaken in de gelegenheid gesteld om op een zitting zijn standpunten naar voren te brengen, alvorens uitspraak te doen op het verzet. Appellant heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt, nu hij op beide zittingen is verschenen. Dat appellant niet de beschikking had over de dossiers van deze zaken is niet gebleken.
De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van de door appellant ingestelde hoger beroepen kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105.