ECLI:NL:CRVB:2026:664
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand zelfstandige ondanks beroep op evenredigheidsbeginsel
Appellant ontving bijstand samen met zijn partner en was vanaf november 2021 als zelfstandige in Duitsland actief, wat het college bij de besluitvorming betrok. Na melding van de start van zijn onderneming op 16 april 2022 trok het college de bijstand per 14 april 2022 in en vorderde de kosten terug. Appellant voerde aan dat het college zijn belangen onvoldoende had meegewogen, hem niet had gewezen op de gevolgen van het starten als zelfstandige, en dat het bedrijf verlies draaide.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering en dat de belangenafweging niet onevenwichtig was. Het college kon aannemen dat appellant al vóór 14 april 2022 als zelfstandige actief was, gezien inschrijving Kamer van Koophandel, zakelijke rekening, huurbetalingen en aankopen. Het ontbreken van inkomsten uit het bedrijf woog niet zwaar genoeg om de intrekking onredelijk te maken.
Ook de stelling dat het college zelf had bijgedragen aan het voortduren van de bijstand werd verworpen, omdat de betaling al per 1 mei 2022 was geblokkeerd. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand aan appellant worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.