Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:685

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
23/2205 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a PWArt. 22a PWArt. 18 lid 1 PWArt. 8:57 AwbArt. 17 lid 1 WSUWI
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing kostendelersnorm bij herziening bijstand niet onredelijk

Appellante ontvangt sinds 2016 bijstand als alleenstaande. Het college heeft haar bijstand over de periode april 2021 tot januari 2022 herzien naar de kostendelersnorm, omdat haar zoon A, die op hetzelfde adres woont, toen geen studeerde en ouder was dan 21 jaar. Hierdoor werd een bedrag van €4.555,37 teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat toepassing van de kostendelersnorm onredelijk is omdat A niet bijdroeg aan de kosten van levensonderhoud, en dat het college had moeten anticiperen op de wijziging van artikel 19a PW per 1 januari 2023, waarbij de leeftijdsgrens werd verhoogd van 21 naar 27 jaar. De Raad oordeelt dat de artikelen 19a en 22a PW dwingendrechtelijk zijn en geen ruimte bieden voor afwijking, behalve in zeer bijzondere situaties die appellante niet aannemelijk heeft gemaakt.

De Raad wijst erop dat het inkomen of de feitelijke bijdrage van de medebewoner niet relevant is voor de toepassing van de kostendelersnorm. Ook is er geen rechtsgrond voor het vooruitlopen op de wetswijziging. Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering blijft in stand. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand op basis van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

23/2205 PW
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2023, 23/715 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn (college)
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over een herziening van de bijstand naar de kostendelersnorm. Appellante heeft aangevoerd dat de toepassing van de kostendelersnorm in haar geval onredelijk is. Ook stelt zij dat het college bij zijn besluitvorming ten onrechte niet heeft geanticipeerd op de wijziging van artikel 19a, eerste lid, van de Participatiewet (PW) per 1 januari 2023. Appellante krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen desgevraagd hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 20 juli 2016 bijstand op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande. Appellante woont op adres X. Op dat adres woont ook haar zoon, A, geboren op [geboortedatum] 1997.
1.2.
Met een besluit van 24 augustus 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 december 2022 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 6 april 2021 tot en met 23 januari 2022 herzien naar de kostendelersnorm op basis van een tweepersoonshuishouden en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.555,37 van appellante teruggevorderd. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat A als kosten delende medebewoner is aangemerkt, omdat hij in voornoemde periode niet langer studeerde en op dat moment ook ouder was dan 21 jaar.
1.3.
Vanaf 24 januari 2022 staat A ingeschreven voor een studie en ontvangt appellante weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het onredelijk is om de kostendelersnorm toe te passen in de situatie waarin een medebewoner niet bijdraagt in de kosten. Dit heeft geleid tot een schrijnende situatie waarin appellante een aantal maanden een lagere bijstandsuitkering heeft ontvangen waarmee ze zowel zichzelf als A heeft moeten onderhouden, terwijl A niets heeft bijgedragen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.1.1.
De artikelen 22a en 19a van de PW zijn dwingendrechtelijk van aard. Behalve de in artikel 19a, eerste lid onder a tot en met d vermelde situaties, die zich hier niet voordoen, bieden die artikelen geen ruimte om af te wijken van de kostendelersnorm of om die buiten toepassing te laten.
4.1.2.
Bij de toepassing van de kostendelersnorm is de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners niet van betekenis en ook niet of zij de kosten feitelijk delen of daaraan bijdragen. Dit laatste is vaste rechtspraak. [1]
4.1.3.
Voor zover appellante heeft willen aanvoeren dat het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand van appellante had moeten verhogen, slaagt de beroepsgrond ook niet. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van, in dit geval, een verhoging van de bijstand is alleen plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak. [2] Het is aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is, zoals hiervoor bedoeld. Hier is appellante niet in geslaagd met de enkele stelling dat zij een inkomen had onder de bijstandsnorm en A geen inkomen had en zodoende niet kon bijdragen in de kosten van levensonderhoud. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de toepassing van de kostendelersnorm niet in voldoende mate in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep verder de beroepsgrond herhaald dat het college, net als bijvoorbeeld in de gemeente Rotterdam, had moeten anticiperen op de wijziging van artikel 19a van de PW per 1 januari 2023. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.2.1.
Met ingang van 1 januari 2023 is artikel 19a, eerste lid, van de PW gewijzigd in die zin dat de leeftijdsgrens voor een kosten delende medebewoner is verhoogd van 21 jaar naar 27 jaar.
4.2.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is er geen rechtsgrond voor de opvatting van appellante dat het college vooruit had moeten lopen op vorenbedoelde wijziging van de leeftijdsgrens per 1 januari 2023. Dat andere gemeenten al vóór 1 januari 2023 een leeftijdsgrens van 27 jaar hanteerden, die in het geval van appellante ertoe had geleid dat met de inwoning van haar zoon bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand geen rekening zou zijn gehouden, leidt niet tot een ander oordeel. [3]

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 19a, eerste lid (zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2023)
In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet:
a. de echtgenoot van belanghebbende is;
b. op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft;
c. op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger; of
d. een persoon is die:
1°. onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 kan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering;
2°. onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die tegemoetkoming;
3°. een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt;
4°. een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld onder 1° tot en met 3° volgt buiten Nederland, waarbij voor onder 1° en 2° geldt dat hij op enig moment tijdens dat onderwijs jonger dan 30jaar is of in de maand van aanvang de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
Artikel 22a, eerste lid
Indien de belanghebbende van 21 jaar of ouder een of meer kostendelende medebewoners heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:
((40%+Ax30%)/A) x B
Hierbij staat:
•A voor het aantal kostendelende medebewoners plus de belanghebbende en zijn echtgenoot van 21 jaar of ouder indien hij gehuwd is; en
•B voor de norm, bedoeld in artikel:
a. 21, onderdeel b, indien de belanghebbende jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is;
b. 22, onderdeel c, indien de belanghebbende jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is en zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
c. 22, onderdeel b, indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1261.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492.
3.Zie in dit kader de uitspraken van 15 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1053 en van 13 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:99.