Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:696

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
24/1861 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten wasmachine wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een nieuwe wasmachine, omdat hij stelde dat hij niet had kunnen reserveren vanwege een laag inkomen en schulden. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet kon reserveren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad overwoog dat een inkomen op bijstandsniveau in principe toereikend is om te reserveren voor incidentele noodzakelijke kosten zoals een wasmachine.

Appellant had sinds 2014 een wasmachine in bezit en had vanaf dat jaar een inkomen op minimaal bijstandsniveau, inclusief toeslagen en eenmalige energietoeslagen. Schulden waren pas recent ontstaan en hadden slechts een minimale impact op de mogelijkheid tot reserveren. Daarom was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijzondere bijstand rechtvaardigen.

Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 mei 2026.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de wasmachine wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kon reserveren.

Uitspraak

24/1861 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 juni 2024, 23/7226 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een wasmachine. Appellant vindt dat hij recht heeft op bijzondere bijstand omdat hij niet voor deze kosten heeft kunnen reserveren. Net als de rechtbank is de Raad het niet met hem eens. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. El Haddouchi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Haddouchi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Wal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant werkte in loondienst als orderpicker voor bepaalde tijd, waarna hij vanaf 27 maart 2020 tot 25 april 2022 een werkloosheidsuitkering ontving. In aansluiting hierop ontving appellant desgevraagd over de periode van 26 april 2022 tot en met 24 november 2022 van het college bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande en ontving hij over 2022 een eenmalige energietoeslag. Na deze periode heeft appellant als uitzendkracht gewerkt en heeft hij vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Na een daartoe ingediende aanvraag heeft het college appellant met ingang van 25 maart 2023 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Ook heeft het college appellant een eenmalige energietoeslag over 2023 toegekend.
1.2.
Op 31 juli 2023 heeft appellant bij het college bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van aanschaf van een nieuwe wasmachine. Met een besluit van 10 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 oktober 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college – voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat de kosten van de wasmachine niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Een uitkering ter hoogte van de bijstandsnorm wordt in beginsel toereikend geacht om te kunnen reserveren. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van de wasmachine. De kosten waren voorzienbaar omdat appellant de wasmachine in 2014 had aangeschaft en hij kon weten dat deze op enig moment vervangen moest worden. Daarnaast had appellant in de periodes voorafgaand aan de aanvraag inkomsten. Het hebben van schulden of het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met het voldoen van andere noodzakelijke kosten is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een wasmachine in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Tussen partijen is alleen in geschil of de kosten van de wasmachine voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en met name of appellant de mogelijkheid heeft gehad om te reserveren voor deze kosten.
4.2.
Appellant voert namelijk aan dat de kosten van de wasmachine wel voorvloeien uit bijzondere omstandigheden, omdat hij voor deze kosten niet heeft kunnen reserveren als gevolg van te weinig inkomen en het aflossen van schulden. Appellant wijst op een uitspraak van de Raad van 21 november 2023 [1] en stelt dat hij al jaren leeft van een inkomen op het sociaal minimum en een schuld heeft bij de belastingdienst en het college waarop hij aflost. De beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
Uitgangspunt van de wetgever is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is aanvullend bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid van de PW nodig. De omstandigheid dat een betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in dat kader moet worden beoordeeld. Als een aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, zoals duurzame gebruiksgoederen als een wasmachine, stelt dat hij voor die kosten niet heeft kunnen reserveren door een gebrek aan reserveringsruimte in verband met schulden, zal hij dat aannemelijk moeten maken. Het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden is geen bijzondere omstandigheid in de zin van voornoemd artikellid van de PW, maar uitzonderingen daarop zijn mogelijk. De Raad heeft dit eerder overwogen. [2]
4.2.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet voor de kosten van een nieuwe wasmachine kon reserveren. Van belang is dat appellant de te vervangen wasmachine sinds 2014 in zijn bezit had en niet in geschil is dat appellant vanaf 2014 inkomsten uit of in verband met arbeid had op ten minste het minimum niveau dan wel bijstand ontving. Daarnaast ontving appellant zorgtoeslag, huurtoeslag en in 2022 en 2023 een eenmalige energietoeslag. Verder is van belang dat de schuld aan het college eerst in 2022 is ontstaan. Deze schuld is, zoals appellant ter zitting heeft toegelicht, bovendien ontstaan omdat appellant gedurende twee maanden te veel bijstand had ontvangen in verband met zijn inkomsten uit arbeid. Wat betreft de schuld aan de belastingdienst Toeslagen is van belang dat appellant ook ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen geven over wanneer deze schuld is ontstaan. Nu onweersproken is dat appellant deze schuld niet heeft vermeld bij zijn aanvraag om algemene bijstand van 25 maart 2023 moet het ervoor worden gehouden dat deze schuld toen in ieder geval nog niet aanwezig was. Daarmee en gelet op het structurele inkomen vanaf 2014 kan het hebben van en aflossen op deze schulden hoogstens een minimale impact hebben gehad op de mogelijkheid om te reserveren en de mate en duur van het kunnen reserveren voor de kosten van de wasmachine.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de door appellant aangehaalde uitspraak van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263.