Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:710

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
24/2854 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling medische en arbeidskundige beperkingen

Appellant was ziekgemeld met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling concludeerde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen in passende functies, waarop de uitkering per 21 maart 2023 werd beëindigd.

Appellant voerde aan dat zijn beperkingen niet voldoende waren meegewogen, met name zijn rugklachten, hoestklachten, psychische problemen en de ongeschiktheid voor zittend werk. Hij stelde dat de geselecteerde functies niet passend waren en dat een urenbeperking noodzakelijk was.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de medische informatie volledig was meegewogen en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had passend werk geselecteerd dat rekening hield met de beperkingen.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en wees nieuwe medische stukken van appellant af als onvoldoende aanleiding om het oordeel te herzien. Ook het attest van handicap uit België werd niet als doorslaggevend beschouwd vanwege verschillen in beoordelingssystematiek en datum.

De Raad bevestigde dat het UWV de uitkering terecht heeft beëindigd en wees het hoger beroep van appellant af, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.

Uitspraak

24/2854 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2024, 24/2669 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , België (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht per 21 maart 2023 heeft beëindigd. Appellant vindt dat hij toen door zijn beperkingen niet in staat was om de door het Uwv geduide functies te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W.E. Ros, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 oktober 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn partner en mr. Ros. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op de voor de zitting ingebrachte nadere stukken, op 23 oktober 2025 een rapport uitgebracht.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn partner en mr. L. Hofman, advocaat en kantoorgenoot van mr. Ros. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als grondwerker voor gemiddeld 34,60 uur per week. Op 23 februari 2022 heeft hij zich ziekgemeld met rugklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant op 27 januari 2023 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 januari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 6 februari 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 21 maart 2023 (datum in geding) beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd (maatmaninkomen).
1.2.
Bij besluit van 5 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft extra beperkingen aangenomen in de FML en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft opnieuw functies geselecteerd. Daarmee kan appellant meer dan 65% van het zogenaamde maatmaninkomen verdienen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en dat besluit daarmee in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat niet alle medische informatie in acht is genomen. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgebreid ingegaan op de rugklachten, hoestaanvallen en de gestelde psychische problemen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen aandoeningen zijn gemist en dat de ontvangen medische informatie de aandoeningen bevestigt. Er is sprake van slijtage in de rug en schouder. Met de aangenomen beperkingen wordt overbelasting, overmatige rugbelasting en overmatig gebruik van de rechterschouder voorkomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd waarom naast de nadere beperkingen die hij heeft aangenomen, geen aanleiding bestaat om beperkingen aan te nemen voor hoesten en voor psychische problemen. Van een specifieke onderliggende medische oorzaak voor deze klachten is niet gebleken. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet aan de orde is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv appellant geschikt heeft geacht voor lichte rug- en schoudersparende arbeid waarbij kan worden afgewisseld in lichaamshouding. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat hiermee in de voor appellant geselecteerde functies voldoende rekening is gehouden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft de beroepsgronden herhaald die hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Hij heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden omdat de door hem meegebrachte stukken niet zijn bekeken door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het onderzoek minimaal is geweest. Daarnaast zijn de rugklachten onvoldoende in acht genomen en kan hij geen zittende werkzaamheden verrichten. Hij moet wisselen van houding en kan maximaal vijf minuten zitten. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij niet langer dan vijf tot tien minuten kan lopen, dat hij slecht slaapt en dat hij recuperatietijd nodig heeft. Daarom is volgens appellant een urenbeperking aangewezen. Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat hij als gevolg van de rug- en longklachten psychische problemen heeft gekregen. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen, heeft appellant diverse medische stukken overgelegd. Appellant heeft verder nog aangevoerd dat de voor hem geselecteerde functies niet geschikt zijn omdat het zwaar werk betreft en omdat te lang moet worden gezeten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling (EZWb) wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
5.3.
In hoger beroep heeft appellant nieuwe medische stukken ingediend. Deze stukken geven echter geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank dat met de FML in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat de nog ingebrachte medische informatie de al bekende rugproblematiek en de hoestklachten bevestigt. Hij heeft verder afdoende toegelicht dat geen aanleiding bestaat een beperking aan te nemen op stof, gas en dampen omdat uit de uitgebreide onderzoeken volgt dat sprake is van een normale longfunctie, geen COPD en geen astma. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwezen naar zijn rapport van 1 maart 2024, waarin hij gemotiveerd uiteen heeft gezet dat geen reden bestaat om aanvullende beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen omdat geen specifieke informatie over psychische problemen aanwezig is en appellant daarvoor ook geen behandeling ondergaat.
5.4.
Anders dan appellant heeft betoogd, kan aan het attest van erkenning van handicap van 5 september 2025, van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid te Brussel, niet de waarde worden gehecht die hij daaraan gehecht wenst te zien. Allereerst is daarbij van belang dat het attest niet ziet op de datum in geding van 21 maart 2023. Verder heeft appellant ter zitting van de Raad toegelicht dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd, zodat deze in 2025 niet vergelijkbaar was met zijn gezondheidssituatie op de datum in geding. Daarnaast kan het in het attest genoemde percentage van 66% vermindering van het verdienvermogen niet een op een worden overgenomen, omdat een Belgische arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op andere wijze verloopt dan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling die aan een EZWb ten grondslag ligt. Bovendien biedt het attest geen inzicht in de medische afwegingen die aan voormeld percentage ten grondslag liggen, zodat het ook in dat opzicht geen concrete aanknopingspunten biedt om aan de door het Uwv verrichte beoordeling te twijfelen.
Arbeidskundige beoordeling
5.5.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de voorbeeldfuncties die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de belasting in de functies, ook in het licht van de daarbij vermelde signaleringen, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Anders dan appellant heeft aangevoerd, betreft het lichte functies en bestaat daarin voldoende mogelijkheid tot vertreden, verzitten of afwisseling met lopen of staan.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.