Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
24/2804 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten wegens ontbreken noodzakelijkheid

Appellante, met de Turkse nationaliteit en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, vroeg bijzondere bijstand aan voor naturalisatiekosten om makkelijker en sneller haar zieke dochter in het Verenigd Koninkrijk te kunnen bezoeken. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet noodzakelijk zijn. De rechtbank bevestigde dit besluit.

In hoger beroep stelde appellante dat haar verblijfsstatus haar belemmert in het bezoeken van haar dochter en dat naturalisatie dit zou vergemakkelijken. De Raad oordeelde dat appellante deze stelling onvoldoende aannemelijk had gemaakt, mede omdat de overgelegde stukken niet betrekking hadden op een visumaanvraag voor familiebezoek maar op een ander type vergunning. Bovendien erkende de Raad dat ook met de Nederlandse nationaliteit soortgelijke obstakels voor toegang tot het Verenigd Koninkrijk bestaan.

De Raad concludeerde dat de naturalisatiekosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. Hierdoor was geen aanleiding om te beoordelen of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2024, 24/4123 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (college)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een afgewezen aanvraag om bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten. Tussen partijen is in geschil of sprake is van noodzakelijke kosten. Appellante vindt dat daarvan sprake is, omdat zij met de Nederlandse nationaliteit makkelijker en sneller naar het Verenigd Koninkrijk kan reizen om haar zieke dochter te bezoeken. Appellante krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. Seyran, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak, gevoegd met zaak 25/717 PW, behandeld op een zitting van 14 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Seyran. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A. Staat. In de zaak 25/717 PW wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft de Turkse nationaliteit en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zij heeft vanaf 1998, met een korte onderbreking, bijstand ontvangen tot 16 augustus 2018, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande en op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Sinds 3 april 2023 ontvangt appellante opnieuw bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
1.3.
Op 25 september 2023 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor naturalisatiekosten. Zij heeft die aanvraag gedaan, omdat zij met de Nederlandse nationaliteit makkelijker en sneller naar het Verenigd Koninkrijk kan reizen om haar daar woonachtige dochter, die chronisch ziek is, te bezoeken.
1.4.
Met een besluit van 27 oktober 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 maart 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat de naturalisatiekosten geen noodzakelijke kosten zijn. In dit verband heeft het college gewezen op een uitspraak van de Raad. [1] De wens van appellante om het reizen te kunnen vergemakkelijken is volgens het college geen omstandigheid die maakt dat de kosten noodzakelijk zijn.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.2.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.3.
Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen is niet langer in geschil dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de naturalisatiekosten in het individuele geval van appellante noodzakelijk zijn. Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Daartoe is het volgende van belang.
4.3.1.
Appellante heeft te kennen gegeven dat haar huidige verblijfsstatus haar belemmert in het bezoeken van haar zieke dochter in het Verenigd Koninkrijk. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat zij op 5 april 2024 een visum heeft aangevraagd en dat die aanvraag is afgewezen. Deze stelling kan al niet slagen omdat die feitelijke grondslag mist. De stukken die appellante in dit kader heeft overgelegd, onderbouwen die stelling namelijk niet. De in dit verband overgelegde stukken zien namelijk op een verzoek om tot het Verenigd Koninkrijk toegelaten te worden als afhankelijke van een onderdaan van de Europese Unie (‘EUSS Family Permit’). Dit is iets heel anders dan een verzoek om een visum voor familiebezoek. Hiermee geconfronteerd, heeft appellante op zitting verklaard dat de ingebrachte stukken inderdaad een andere aanvraag betreffen, maar dat in een eerder stadium wel een visumaanvraag is gedaan die is afgewezen. Appellante heeft die stelling echter niet aannemelijk gemaakt aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens.
4.3.2.
Op zitting heeft appellante desgevraagd toegelicht dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten voortkomt uit de behoefte om haar zieke dochter in het Verenigd Koninkrijk te allen tijde zo snel mogelijk te kunnen bezoeken. Dit gaat volgens haar makkelijker en sneller indien zij de Nederlandse nationaliteit heeft. De Raad heeft weliswaar begrip voor deze wens van appellante, maar dit maakt nog niet dat de naturalisatiekosten noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Hierbij betrekt de Raad ook dat het gaat om een situatie waarbij een meerderjarig familielid is geëmigreerd naar het Verenigd Koninkrijk. Die keuze van dat gezinslid heeft nu eenmaal gevolgen voor de voorbereidingstijd en de duur van de reis om bij het geëmigreerde familielid te komen. Ook met de Nederlandse nationaliteit bestaan voor toegang tot en de reis naar het Verenigd Koninkrijk soortgelijke obstakels. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de naturalisatiekosten in het individuele geval van appellante noodzakelijk zijn.
4.3.3.
Aangezien er geen sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW komt de Raad – zie 4.1 – niet toe aan de beoordeling van de vraag of de naturalisatiekosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en aan wat appellante in dit verband heeft aangevoerd omtrent onder meer de medische situatie van haar dochter.

Conclusie en gevolgen

5. Uit 4.3 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel

Participatiewet
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1881.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.