ECLI:NL:CRVB:2026:733

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/1158 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering na beoordeling passendheid functie productiemedewerker

Appellant was ziekgemeld sinds februari 2021 en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 3 juli 2022 omdat appellant volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen met passend werk, waaronder de functie productiemedewerker.

De rechtbank vernietigde het besluit deels omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom de functie productiemedewerker passend zou zijn, met name vanwege de vraag of er sprake was van repetitieve handelingen en de inzet van de linkerhand. Het UWV leverde aanvullende rapporten waarin werd toegelicht dat de functie geen repetitieve handelingen kent en dat werkzaamheden met beide handen kunnen worden uitgevoerd.

De rechtbank oordeelde vervolgens dat de functie productiemedewerker passend is en dat het besluit tot beëindiging van de uitkering terecht is genomen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege beperkingen aan zijn linkerhand niet in staat is bepaalde handelingen uit te voeren, maar onderbouwde dit niet met nieuwe medische gegevens.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat het UWV de uitkering terecht heeft beëindigd. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd omdat appellant passend werk kan verrichten.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 april 2025, 23/3149 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 3 juli 2022 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn medische beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies, en dan met name de functie productiemedewerker, te verrichten zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Hage, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als bandenmonteur. Op 13 februari 2021 heeft hij zich vanuit de Werkloosheidswet ziekgemeld met klachten aan zijn linkerhand. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 11 mei 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 2 juni 2022 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 3 juli 2022 beëindigd, omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Met een besluit van 25 april 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
In een tussenuitspraak van 12 april 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten aan zijn linkerhand en -pols. Zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de linkerhand en -pols van appellant onderzocht. Uit die onderzoeken is gebleken dat appellant beperkingen heeft aan zijn linkerhand en -pols, maar ook dat alle handgrepen op zich wel mogelijk zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien om aan de passendheid van de functies parkinghost en receptionist te twijfelen. Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functie productiemedewerker geschikt is voor appellant. Het Uwv is in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen, door een arbeidsdeskundige toelichting te laten geven op het aspect repetitieve handelingen in relatie tot de te monteren onderdelen (waaronder het indraaien van de schroeven). Ook zal moeten worden toegelicht in hoeverre de te monteren onderdelen met één hand kunnen worden gemonteerd of dat daarbij twee handen nodig zijn. Daarna zal de arbeidsdeskundige moeten beoordelen of de functie, rekening houdend met die toelichting, passend is voor appellant.
1.4.
Het Uwv heeft met een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 mei 2024 en 19 november 2024 uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak. Appellant heeft op beide rapporten gereageerd.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en heeft het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten en een proceskosten- en griffierechtveroordeling uitgesproken.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de functie productiemedewerker terecht aan de schatting ten grondslag is gelegd. Hiertoe is overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg heeft gehad met de arbeidskundig analist. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 mei 2024 blijkt dat de arbeidskundig analist een toelichting heeft gegeven op het aspect repetitieve handelingen. Daarbij is aangegeven dat bij geen van de montagehandelingen sprake is van repetitieve handelingen. De verschillende montagehandelingen wisselen elkaar altijd af. Tussen sommige montagehandelingen kunnen soms gelijkenissen bestaan, maar in het merendeel van de handelingen is daarvan geen sprake. Verder is opgemerkt dat in de betreffende functie met twee handen wordt gewerkt en dat er niet gedwongen links- of rechtshandig gewerkt hoeft te worden. In het rapport van 19 november 2024 is verwezen naar het handboek Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) waarin beschreven is wat onder repetitieve handelingen wordt verstaan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is van mening dat er geen sprake is van repetitieve handelingen. Ook gelet op de veelvuldige afwisseling van de diverse grepen trekt zij de conclusie dat er geen sprake is van repetitieve hand- en vingerbewegingen.
2.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat met de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 24 mei 2024 gegeven toelichting voldoende is gemotiveerd dat er in de functie productiemedewerker geen sprake is van repetitieve handelingen zoals gedefinieerd in het CBBS. Verder blijkt uit deze toelichting ook dat de diverse handelingen naar keuze met de linker- of rechterhand uitgevoerd kunnen worden, zodat appellant zelf, desgewenst kan wisselen van hand. De reactie van appellant hierop geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de toelichting. De arbeidskundig analist heeft immers de feitelijke werksituatie waargenomen in de betreffende functie. Zijn beschrijving van de werkzaamheden is gebaseerd op zijn eigen waarnemingen aangevuld met informatie verkregen uit interviews met functionarissen of ter zake kundige derden. Nu er geen sprake is van repetitieve handelingen, kan de rechtbank de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgen in zijn motivering dat de functie productiemedewerker geschikt is voor appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft herhaald dat de functie productiemedewerker ten onrechte geschikt wordt geacht. Het is voor appellant onmogelijk om een schroef in te draaien. Dit om de reden dat de schroef met de linkerhand dient te worden gefixeerd. Tot dat laatste is appellant niet in staat. Het antwoord op de vraag of de handeling al dan niet repetitief is, verandert dat niet. Ook het kunnen afwisselen van links en rechts neemt de beperkingen van de linkerhand en linkerarm niet weg.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat de functie van productiemedewerker voor appellant passend is en dat het Uwv de ZW-uitkering per 3 juli 2022 terecht heeft beëindigd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.
5.3.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Voor zover appellant heeft willen stellen dat er ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen in verband met fixeren, volgt de Raad appellant hierin niet. Appellant heeft deze stelling in het geheel niet onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nadere medische gegevens overgelegd.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.