Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:734

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/1017 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering na beoordeling beperkingen en passend werk

Appellante was grondstewardess en meldde zich ziek met klachten aan haar onderbenen. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat zij volgens medische en arbeidskundige beoordelingen meer dan 65% van haar loon kon verdienen met passende functies. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had en niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd meegewogen dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd hadden vastgesteld dat de beperkingen en passende functies juist waren vastgesteld. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De medische rapporten, waaronder een gecombineerde neurologische en psychiatrische expertise, toonden aan dat de klachten verklaard konden worden door een somatische-symptoomstoornis zonder ernstige psychische problematiek.

Appellante stelde dat er meer beperkingen en een urenbeperking moesten worden aangenomen, maar dit werd niet onderbouwd met nieuwe medische stukken. Ook het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De Raad veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase en tot vergoeding van proceskosten van € 467 voor appellante.

Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

25/1017 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2025, 23/5126 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 8 september 2020 heeft beëindigd. Volgens appellante had zij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en was zij niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y.M. Venderbos hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Voor appellante is mr. Venderbos verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als grondstewardess voor gemiddeld 25,52 uur per week. Op 9 augustus 2019 heeft zij zich ziekgemeld met klachten aan haar onderbenen. Het Uwv heeft appellante met ingang van 7 oktober 2019 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZWbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en heeft vervolgens voor appellante passende functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 13 juli 2020 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 8 september 2020 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 5 februari 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 2 februari 2021 en een rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Appellante heeft tegen het besluit van 5 februari 2021 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 18 februari 2022 heeft de rechtbank Rotterdam, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 februari 2021 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat geen fysiek spreekuurcontact heeft plaatsgevonden met een geregistreerde verzekeringsarts en dat de verzekeringsartsen van het Uwv ook niet hebben gemotiveerd dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft.
1.4.
Het Uwv heeft uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en op 19 april 2022 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante onderzocht op een spreekuur.
1.5.
Bij besluit van 16 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien een gecombineerde neurologische en psychiatrische expertise bij WPEX in te zetten. Op 1 februari 2023 hebben psychiater J.W. Peterse en neuroloog A. Verrips een rapport uitgebracht. De neuroloog heeft geen stoornis op neurologisch gebied kunnen vaststellen. De psychiater heeft geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding sprake is van een ernstige symptomatischsymptoomstoornis met voornamelijk pijn, als onderliggende oorzaak van haar beenklachten en dat het klachtenbeeld geheel verklaard kan worden door deze aandoening. Een andere stoornis heeft de psychiater niet kunnen vaststellen. Op basis hiervan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep andere beperkingen aangenomen dan in de FML van 2 februari 2021 en een nieuwe FML van 26 mei 2023 opgesteld. In deze FML zijn enkele beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren vervallen en zwaardere fysieke beperkingen aangenomen, waarbij rekening is gehouden met het feit dat appellante buitenshuis een rolstoel gebruikt, binnenshuis krukken gebruikt en zij zonder krukken alleen transfers over enkele meters kan maken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deels nieuwe functies geselecteerd, op grond waarvan het verdienvermogen nog steeds meer dan 65% van het maatmaninkomen is. In beroep tegen het besluit van 16 juni 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog een aanvullende beperking voor vervoer (beoordelingspunt 2.10) aangenomen en op 6 november 2023 een nieuwe FML opgesteld. Dit heeft niet geleid tot een gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, met veroordeling van het Uvw in de proceskosten en het griffierecht vanwege een gewijzigde medische motivering, ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 26 mei 2023 de expertise van WPEX duidelijk kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. Verder heeft de rechtbank navolgbaar geacht wat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep in hun overige rapporten hebben geconcludeerd. Met de pijnklachten is in de FML rekening gehouden doordat wordt voorzien in zowel fysiek als energetisch licht belastende arbeid, waarbij de benen zo veel mogelijk worden ontzien door de aangenomen beperkingen en de voorwaarden in arbeid. In een rapport van 14 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de door appellante ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De ingebrachte informatie ziet op de periode na de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 14 november 2024 toereikend gemotiveerd dat de brief van de osteopaat van 5 september 2024 geen aanleiding geeft om de belastbaarheid van appellante te herzien. Uit de brief blijkt niet dat er een verband bestaat tussen de scheenbeenklachten en een kennelijk aanwezige verhoogde (spier)spanning in het lichaam. De rechtbank heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep ook gevolgd in zijn conclusie dat de uitkomsten van de onderzoeken in het buitenland niet van invloed zijn op de beperkingen in de FML.
2.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder gemotiveerd toegelicht dat op grond van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid geen reden bestaat om een urenbeperking aan te nemen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan pijn leiden tot een te groot energiegebruik en daarmee reden zijn voor een urenbeperking, maar alleen als met de overige beperkingen hieraan onvoldoende wordt toegekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat dit in het geval van appellante niet aan de orde is, omdat met de FML wordt voorzien in fysiek en energetische licht belastende arbeid en zodoende voldoende wordt voorzien in het voorkomen van pijnklachten en daarmee energetische belemmeringen. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin gevolgd.
2.2.
Tot slot heeft de rechtbank het Uwv ook gevolgd in de conclusie dat uitgaande van de FML van 6 november 2023 de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de bevindingen in het rapport van WPEX niet juist zijn vertaald in de FML. Er hadden volgens haar meer beperkingen moeten worden aangenomen. Ook hadden de onderzoeken uit het buitenland en het eerder in de procedure door appellante ingebrachte rapport van psychiater niet praktiserend J.K. van der Veer van 10 augustus 2021 en de daarin genoemde psychische beperkingen in acht moeten worden genomen. Appellante heeft verder aangevoerd dat op de datum in geding ook sprake was van bekken/vaatafwijkingen, wat blijkt uit de informatie van de osteopaat en de medische informatie uit het buitenland. Appellante bezocht deze osteopaat al op 16 augustus 2019. Daarnaast had een urenbeperking moeten worden aangenomen. Appellante heeft verzocht een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
5.3.
In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische stukken ingediend. Gelet op de rapporten van de verzekeringsartsen en de ingebrachte medische stukken bestaat er geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat met de FML van 6 november 2023 in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding bestaande beperkingen. De stelling van appellante dat de vertaling van het expertise-rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet juist is geschied, is niet onderbouwd. In dit verband wordt opgemerkt dat juist het expertise-rapport heeft geleid tot beduidend meer en zwaardere fysieke beperkingen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 26 mei 2023 inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot de beperkingen in de gewijzigde FML is gekomen.
5.4.
De beroepsgrond van appellante dat beperkingen hadden moeten worden aangenomen voor bij appellante aanwezige psychische klachten slaagt niet. Niet is gebleken van ernstige psychische problematiek. Psychiater Peterse van WPEX heeft inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd aangegeven op grond waarvan hij is gekomen tot de diagnose ernstige somatische-symptoomstoornis en waarom een conversiestoornis of een persisterende aanpassingsstoornis met angstige en sombere stemming, zoals gesteld door psychiater Van der Veer, niet aan de orde zijn. Psychiater Peterse heeft kennisgenomen van alle medische informatie, waaronder het rapport van Van der Veer, en uitgebreid en inzichtelijk gemotiveerd dat het klachtenbeeld van appellante geheel verklaard kan worden door de somatisch-symptoomstoornis. Daarbij wordt van belang geacht dat appellante rond de datum in geding niet voor psychische klachten werd behandeld en dat tijdens het spreekuur bij de primaire arts geen afwijkingen van de psyche zijn vastgesteld. Ook wordt in de brief van 9 april 2021 van Altrecht Psychosomatiek Eikenboom, waar appellante sinds augustus 2021 in behandeling is, door de behandelend psychologen geen ernstige psychische problematiek benoemd en ook de diagnose somatischsymptoomstoornis vermeld. In beroep en hoger beroep heeft appellante geen nadere medische stukken ingebracht, op grond waarvan aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep omtrent de psychische beperkingen zou moeten worden getwijfeld.
5.5.
De beroepsgrond van appellante dat vanwege de voortdurend bestaande pijnklachten een urenbeperking had moeten worden aangenomen, slaagt ook niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 14 november 2024 afdoende gemotiveerd dat daarvoor geen aanleiding bestaat. Appellante heeft bij de primaire arts te kennen geven alleen belemmeringen te ervaren bij alle activiteiten die een actief beroep doen op met name het linkerbeen. Bij het lichamelijk onderzoek heeft zij gemeld niet meer kracht te willen zetten met het linkerbeen om pijn te vermijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend toegelicht dat gelet op de ruime beperkingen voor beengebruik in de FML, waaronder het gebruik van een rolstoel, voldoende wordt voorzien in het voorkomen van pijnklachten en energetische belemmeringen, waardoor een aanvullende urenbeperking niet is geïndiceerd. Er bevinden zich in het dossier geen medische stukken op grond waarvan deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet kan worden gevolgd.
5.6.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen, afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
5.7.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.
Overschrijding redelijke termijn
5.8.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
5.9.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante door het Uwv op 24 juli 2020 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim tien maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn niet is overschreden. Daarmee is vastgesteld dat de redelijke termijn uitsluitend in de rechterlijke fase is geschonden. De redelijke termijn is in dit geval met een jaar en ruim tien maanden overschreden. Dit betekent dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.000,-.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Wel bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.
2.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.