ECLI:NL:CRVB:2026:736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden als taxichauffeur
Appellant ontving bijstand sinds februari 2021 en werd onderzocht naar aanleiding van een vermoeden dat hij niet op het uitkeringsadres woonde. Uit bankafschriften en informatie van de gemeente Amsterdam en Kiwa bleek dat appellant sinds juni 2022 in het bezit was van een taxichauffeurskaart en lijnbaanontheffing, en betalingen deed die niet strookten met een bijstandsniveau.
Appellant betwistte dat hij werkzaamheden had verricht en voerde gezondheidsproblemen aan als reden voor het niet werken. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet werkte en dat de kosten voor vergunningen en de hoge uitgaven op bankafschriften aannemelijk maken dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.
De Raad bevestigde het besluit van het college om de bijstand vanaf juni 2022 in te trekken en terug te vorderen, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van deze werkzaamheden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden als taxichauffeur wordt bevestigd.