Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:738

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
24/2802 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing financiële tegemoetkoming voor woningaanbouw op grond van Wmo 2015 bevestigd

Appellant, met diverse lichamelijke en psychische beperkingen, vroeg een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een aanbouw aan zijn woning. Het college wees deze aanvraag af, stellende dat een traplift de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening is. Dit oordeel was gebaseerd op een advies van het onafhankelijke adviesorgaan Factum, dat een zorgvuldig en consistent onderzoek had verricht.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant voerde in hoger beroep aan dat Factum onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn mogelijkheden om een traplift veilig te gebruiken en dat de onafhankelijkheid van Factum betwijfeld moest worden. Ook stelde hij dat niet was onderzocht of een traplift in zijn woning realiseerbaar was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het besluit in stand hield. Het rapport van Factum was zorgvuldig en er was geen aanleiding om aan de onafhankelijkheid te twijfelen. Het college had bovendien onderzoek gedaan naar de realiseerbaarheid van een traplift, inclusief een huisbezoek door de leverancier. De Raad vond de bezwaren van appellant onvoldoende onderbouwd en bevestigde het bestreden besluit. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor een woningaanbouw wordt bevestigd omdat een traplift als goedkoopst adequate maatwerkvoorziening geldt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2802 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 november 2024, 23/2012 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [plaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (college)
Datum uitspraak: 4 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor een aanbouw aan de woning. Net als de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de afwijzing standhoudt.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 april 2026. Voor appellant zijn verschenen mr. Wevers, [persoon 1] en [persoon 2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Diepeveen, mr. V.S. Grootkerk en Y.E. Jansen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is bekend met een autismespectrumstoornis, depressieve klachten en angstklachten. Verder heeft hij last van een hoge spierspanning, stokken van handelen (freezing), een verminderde coördinatie, een vertraagd reactievermogen en gewrichtsklachten die passen bij artrose.
1.2.
Met een besluit van 17 augustus 2022, gehandhaafd met een besluit van 27 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een aanbouw aan de woning afgewezen. Volgens het college is een traplift de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Het college heeft daarbij verwezen naar een advies van Factum van 21 juni 2022. In dit advies heeft een arts van Factum geconcludeerd dat traplopen niet veilig en verantwoord mogelijk is, gezien de beperkingen van appellant. Er zijn geen medische redenen waardoor het gebruik/het leren omgaan met een traplift gecontra-indiceerd is. Het college heeft aangeboden het bedrag voor een passende traplift beschikbaar te stellen indien appellant een andere, duurdere, woonvoorziening realiseert.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van Factum als adviesorgaan. Het rapport van Factum geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inhoudelijk inzichtelijk en consistent. Uit het rapport volgt dat alle beschikbare informatie in de beoordeling is betrokken. Appellant stelt weliswaar dat zijn behandelaars hadden moeten worden geraadpleegd, maar heeft niet concreet gemaakt wat de onderzoekers van Factum met betrekking tot zijn mentale gezondheid hebben gemist. De beoordeling van psychische klachten valt buiten de expertise van de fysiotherapeut en de begeleider van appellant en hij heeft zelf geen verdere informatie van zijn behandelaars in het geding ingebracht. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies in het rapport van Factum dat de psychische beperkingen van appellant geen medische reden vormen om het gebruik van de traplift af te raden. Het college heeft zich daarom mogen baseren op het rapport van Factum. Dat de traplift feitelijk niet kan worden geplaatst of gebruikt door de wijze waarop de trap in de woning van appellant is aangelegd heeft het college gemotiveerd betwist. Volgens het college heeft een geraadpleegde specialist van ‘Handicare’ bevestigd dat aanleg en gebruik van een traplift mogelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Appellant heeft zijn stellingen op dit punt ook niet verder onderbouwd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft Factum onvoldoende onderzocht of hij de traplift veilig kan gebruiken, gelet op zijn beperkingen en angsten. De adviseur van Factum had aanvullende informatie moeten opvragen bij zijn behandelaren. De fysiotherapeut en de begeleider van appellant hebben aangegeven dat hij geen gebruik kan maken van een traplift. Verder betwist appellant de onafhankelijkheid van Factum en voert hij aan dat niet is onderzocht of de traplift wel realiseerbaar is in de woning.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep in de kern herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, zoals die hiervoor onder rechtsoverweging 2 zijn weergegeven. De Raad voegt hieraan toe dat uit het dossier blijkt dat het college onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke realiseerbaarheid van een traplift in de woning van appellant. In het kader daarvan heeft onder meer de leverancier van de traplift een huisbezoek verricht. Wat appellant heeft aangevoerd is in het licht hiervan onvoldoende om te oordelen dat de trap niet geschikt is voor een traplift.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) S. Ploum