ECLI:NL:CRVB:2026:738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- L.M. Tobé
- D. Hardonk-Prins
- B. Serno
- Rechtspraak.nl
Afwijzing financiële tegemoetkoming voor woningaanbouw op grond van Wmo 2015 bevestigd
Appellant, met diverse lichamelijke en psychische beperkingen, vroeg een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een aanbouw aan zijn woning. Het college wees deze aanvraag af, stellende dat een traplift de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening is. Dit oordeel was gebaseerd op een advies van het onafhankelijke adviesorgaan Factum, dat een zorgvuldig en consistent onderzoek had verricht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant voerde in hoger beroep aan dat Factum onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn mogelijkheden om een traplift veilig te gebruiken en dat de onafhankelijkheid van Factum betwijfeld moest worden. Ook stelde hij dat niet was onderzocht of een traplift in zijn woning realiseerbaar was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het besluit in stand hield. Het rapport van Factum was zorgvuldig en er was geen aanleiding om aan de onafhankelijkheid te twijfelen. Het college had bovendien onderzoek gedaan naar de realiseerbaarheid van een traplift, inclusief een huisbezoek door de leverancier. De Raad vond de bezwaren van appellant onvoldoende onderbouwd en bevestigde het bestreden besluit. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor een woningaanbouw wordt bevestigd omdat een traplift als goedkoopst adequate maatwerkvoorziening geldt.