Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:753

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/1293 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenvergoeding

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV omtrent een WIA-uitkering. Het UWV nam op 16 januari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar en bracht appellant alsnog met ingang van 18 februari 2021 voor een IVA-uitkering in aanmerking. Hierdoor trok appellant op 6 februari 2026 het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat de redelijke termijn van de procedure, gerekend vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 24 juni 2021 tot het tegemoetkomend besluit op 16 januari 2026, vier jaar en bijna zeven maanden bedroeg, wat zeven maanden te lang is. Hoewel de rechtbank reeds een schadevergoeding van €1.000,- had toegekend, wees de Raad een aanvullende vergoeding af.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op €2.825,38, en tot vergoeding van de betaalde griffierechten van €188,-. De zaak werd zonder zitting afgedaan omdat partijen geen zitting wensten.

Uitkomst: Hoger beroep ingetrokken na tegemoetkoming UWV; proceskostenvergoeding toegekend, schadevergoeding wegens termijnoverschrijding afgewezen.

Uitspraak

24/1293 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 april 2024, 22/248 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Helden, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 16 januari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en appellant alsnog met ingang van 18 februari 2021 voor een IVA-uitkering in aanmerking gebracht.
Bij brief van 6 februari 2026 heeft appellant zijn hoger beroep ingetrokken, daarbij heeft hij verzocht het Uwv in de proceskosten te veroordelen en verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nieuwe zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 januari 2026 volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen.
Schadevergoeding redelijke termijn
2. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.1.
De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de verzoeker gedurende de gehele procesgang. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009). [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
2.2.
In geval van een tegemoetkomend besluit eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt (zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022). [2] In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 16 januari 2026 aan appellant bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 24 juni 2021 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 16 januari 2026 heeft de procedure vier jaar en bijna zeven maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
2.3.
De rechtbank heeft de Staat al veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Er bestaat daarom geen aanleiding een aanvullende schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek van appellant wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
3. Appellant krijgt een vergoeding voor de kosten die hij in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. De kosten voor rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast komen de in beroep gemaakte reiskosten ter hoogte van een bedrag van € 23,38 voor vergoeding in aanmerking. In hoger beroep heeft geen zitting plaatsgevonden. De gevraagde vergoeding van kosten in verband met de daarvoor gemaakte reiskosten worden dan ook niet vergoed. In totaal bedragen de door het Uwv aan appellant te vergoeden proceskosten dus € 2.825,38.
Griffierecht
4. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.825,38;
- bepaalt dat het Uwv de door appellant betaalde griffierechten van in totaal € 188,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.