ECLI:NL:CRVB:2026:753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenvergoeding
Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV omtrent een WIA-uitkering. Het UWV nam op 16 januari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar en bracht appellant alsnog met ingang van 18 februari 2021 voor een IVA-uitkering in aanmerking. Hierdoor trok appellant op 6 februari 2026 het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat de redelijke termijn van de procedure, gerekend vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 24 juni 2021 tot het tegemoetkomend besluit op 16 januari 2026, vier jaar en bijna zeven maanden bedroeg, wat zeven maanden te lang is. Hoewel de rechtbank reeds een schadevergoeding van €1.000,- had toegekend, wees de Raad een aanvullende vergoeding af.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op €2.825,38, en tot vergoeding van de betaalde griffierechten van €188,-. De zaak werd zonder zitting afgedaan omdat partijen geen zitting wensten.
Uitkomst: Hoger beroep ingetrokken na tegemoetkoming UWV; proceskostenvergoeding toegekend, schadevergoeding wegens termijnoverschrijding afgewezen.