Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:770

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
23/2651 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 PWArt. 54 PWArt. 17 WSUWIArt. 30c WSUWIArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf in woonplaats

Appellant ontving bijstand sinds december 2018 en zijn gezin verbleef vanaf september 2020 in verschillende asielzoekerscentra vanwege de zorg voor kinderen met het zeldzame Spata-5 syndroom. Het college van burgemeester en wethouders van Leiden trok de bijstand in per 1 januari 2021 omdat appellant niet in Leiden verbleef en inkomsten had ontvangen.

Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het college deels in het ongelijk stelde, nam het college een nader besluit waarin het de terugvordering over een deel van de periode introk. Appellant voerde aan dat hij zijn hoofdverblijf wel in Leiden had en dat zijn situatie uitzonderlijk was vanwege de zorg voor zijn kinderen.

De Raad oordeelt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van appellant in de te beoordelen periode buiten Leiden lag, namelijk bij zijn gezin in de AZC’s. De bijzondere zorgsituatie leidt niet tot een uitzondering op het woonplaatsvereiste. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand per 1 januari 2021 blijft in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 januari 2021 wordt bevestigd omdat appellant zijn hoofdverblijf niet in Leiden had.

Uitspraak

23/2651 PW, 26/315 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2023, 21/6983 en 21/6985 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
Datum uitspraak: 9 juni 2026
SAMENVATTING
In deze zaak beoordeelt de Raad of het college de bijstand van appellant mocht intrekken omdat hij niet zijn woonplaats in [woonplaats] had. Appellant voert aan dat de bijstand ten onrechte is ingetrokken, omdat sprake is van een zeer bijzondere situatie, omdat hij zijn kinderen, die aan een zeldzaam syndroom lijden, ondersteunde in het AZC waar de kinderen en zijn vrouw verbleven. Appellant krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Kamphuis, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. M.J. de Jongh, advocaat, heeft de zaken van mr. Kamphuis overgenomen.
Het college heeft op 29 januari 2025 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit).
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jongh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.A. Kremer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 13 december 2018 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Op 16 september 2020 zijn de echtgenote van appellant en hun vier kinderen naar Nederland gekomen. Zij hebben eerst een aantal dagen in het [AZC 1] verbleven. Daarna 4 à 5 weken in het [AZC 2] , vervolgens ongeveer 5 à 6 weken in het [AZC 3] en vanaf 7 januari 2021 verbleven zij in het [AZC 4] , waar zij tot mei 2023 hebben verbleven. De kinderen bezitten de Nederlandse nationaliteit maar de echtgenote niet. Drie kinderen lijden aan het Spata-5 syndroom en vanwege de problemen die daarmee verband houden, mochten zij bij hun moeder in de AZC’s verblijven.
1.2.
Naar aanleiding van een melding op 30 juli 2020 van de ex-vrouw van appellant dat appellant werkzaamheden verricht door met een commerciële auto goederen te verhuizen, dat hij in de regio [regio] woont, en dat zij geen alimentatie krijgt omdat hij op papier enkel bijstand ontvangt, heeft een medewerker Fraudeonderzoek van het Team Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De medewerker heeft onder meer dossieronderzoek gedaan, bankafschriften opgevraagd, RDW geraadpleegd, in de periode van 8 januari 2021 tot en met 4 februari 2021 waarnemingen verricht in de omgeving van de woning van appellant in [woonplaats] , onder meer naar de aanwezigheid van de auto van appellant. Omdat appellant in een voormalig kantoorpand (antikraakpand) met meerdere bewoners woont, kon de medewerker diverse keren in het gebouw komen waar de post voor de bewoners in de centrale hal op een tafel lag. Op dinsdag 12 januari 2021 is de medewerker naar de gezamenlijke ruimte behorend bij onder meer de ruimte van appellant gelopen. Daar heeft hij een bewoner als getuige gehoord. Op 4 februari 2021 heeft de medewerker een andere bewoner als getuige gehoord. Appellant is per brief uitgenodigd om op gesprek te komen voor 28 januari 2021. Appellant is niet verschenen. Bij brief van 2 februari 2021 is appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. Op 5 februari 2021 heeft het gesprek met appellant plaatsgevonden. Na het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het adres van appellant in [woonplaats] . De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 16 februari 2021.
1.3.
Met een besluit van 16 maart 2021 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2021 beëindigd en met ingang van 13 december 2018 ingetrokken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant inkomsten uit leningen, giften en werkzaamheden heeft ontvangen en dat appellant niet in [woonplaats] verblijft.
1.4.
Met een besluit van 18 maart 2021 (besluit 2) heeft het college besluit 1 in zoverre gewijzigd dat de bijstand over de periode van 13 december 2018 tot en met 31 december 2020 wordt herzien en verder dat de kosten van bijstand worden teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 29.758,15.
1.5.
Op 16 maart 2021 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Een sociaal rechercheur heeft vervolgens onderzoek verricht. Op 11 mei 2021 hebben de sociaal rechercheur en een klantmanager met appellant gesproken. Appellant heeft onder meer het volgende verklaard. Hij reist tussen [woonplaats] en [plaatsnaam] en verblijft meer in [plaatsnaam] . Zijn vrouw en vier kinderen verblijven daar in een asielzoekerscentrum, twee van de vier kinderen zijn autistisch en hangen veel aan hem en hij is er daarom veel. Hij slaapt ook in het AZC omdat er voldoende ruimte is, zijn leven speelt zich voor een groot deel buiten [woonplaats] af. Dat het klopt dat zijn auto niet vaak in [woonplaats] is aangetroffen, omdat hij niet vaak in [woonplaats] is. Bij besluit van 20 mei 2021 heeft het college de aanvraag van appellant om bijstand afgewezen omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij zijn hoofdverblijf in [woonplaats] heeft. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.6.
Met een besluit van 21 september 2021 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Het college heeft de motivering gewijzigd. Appellant heeft volgens het college de bijstand niet besteed aan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor de bijstand is bestemd. Hierdoor is niet komen vast te staan dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
1.7.
Met een afzonderlijk besluit van 21 september 2021 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het college de bijstand over de periode van 25 april 2019 tot en met 31 december 2020 intrekt en de over deze periodes gemaakte kosten van bijstand van appellant terugvordert, omdat appellant niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit 1 tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand blijven. Verder heeft de rechtbank bestreden besluit 2 tot herziening en terugvordering over de periode van 25 april 2019 tot en met 31 december 2020 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de aangevallen uitspraak is geoordeeld. Verder is het college veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat appellant in de periode van 16 september 2020, de datum waarop zijn vrouw en kinderen in Nederland zijn komen wonen, tot 1 januari 2021 en lange tijd daarna bij zijn gezin verbleef. Dat betekent dat in deze periode het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven niet in [woonplaats] lag en hij dus niet zijn hoofdverblijfplaats had op het uitkeringsadres. De reden voor het verblijf elders is niet van belang. Daarom heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit dat ziet op de intrekking van de bijstandsuitkering per 1 januari 2021 in stand gelaten. Eiser had op dat moment immers niet zijn woonplaats in [woonplaats] . De rechtbank ziet geen aanleiding het bestreden besluit tot herziening en terugvordering over de periode van 25 april 2019 tot en met 31 december 2020 in stand te laten. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant in die periode niet zijn woonplaats in [woonplaats] had. Appellant verbleef immers pas vanaf 16 september 2020 op verschillende locaties bij zijn gezin. De herziening en terugvordering ziet op een te ruime periode en het college dient hierover een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Nader besluit
3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college het nader besluit genomen. Het college volgt de rechtbank in het oordeel dat appellant pas vanaf 16 september 2020 op verschillende locaties bij zijn gezin verblijft en dus niet in [woonplaats] , maar verbindt hier geen gevolgen aan. Omdat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting heeft het college op grond van een belangenafweging besloten niet tot herziening van de verstrekte bijstand over de periode van 16 september 2020 tot en met 31 december 2020 over te gaan. Hierdoor is er ook geen grond meer voor terugvordering van de verstrekte bijstand. De gehele terugvordering is daarom komen te vervallen Het college heeft vervolgens geconcludeerd dat het besluit van 18 maart 2021 in zijn geheel is komen te vervallen.
Het standpunt van appellant
4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 tot intrekking met ingang van 1 januari 2021 in stand zijn gelaten. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

5. Appellant heeft in zijn gronden naar aanleiding van het nader besluit medegedeeld dat alleen nog de intrekking met ingang van 1 januari 2021 in geschil is, dat het hoger beroep, voor zover dat zag op bestreden besluit 2, wordt ingetrokken, omdat het besluit van 18 maart 2021 is ingetrokken, en heeft daarbij verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten in verband met het instellen van het hoger beroep tegen bestreden besluit 2 (1 punt).
Nader besluit
6. Dit betekent dat met het nader besluit volledig tegemoet is gekomen aan het hoger beroep voor zover dat gaat over bestreden besluit 2. Hieruit volgt dat appellant geen belang meer heeft bij het beroep tegen het nader besluit, zodat die, gelet op artikel 6:19 en Pro 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, niet mede in de beoordeling zal worden betrokken.
Intrekking bijstand met ingang van 1 januari 2021: in stand laten rechtsgevolgen
7. De Raad beoordeelt dus alleen of de rechtbank de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2021 terecht in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
7.1.
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 januari 2021, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 16 maart 2021, de datum waarop het besluit tot intrekking is genomen (te beoordelen periode).
7.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Deze bewijslast brengt in dit geval mee dat het college aannemelijk moet maken dat de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
7.3.
De woonplaats is de plaats waar de woonstede van de betrokkene is. Met woonstede wordt hier bedoeld: woning. De woning is het adres waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als de betrokkene geen hoofdverblijf heeft is zijn woonplaats de plaats waar hij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1]
7.4.
Om te beoordelen waar een betrokkene zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de basisregistratie personen (BRP). Dit is vaste rechtspraak. [2]
7.5.
Appellant heeft primair aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode, en ook daarna, zijn hoofdverblijf in [woonplaats] had. Subsidiair stelt appellant dat, als de Raad oordeelt dat hij niet zijn hoofdverblijf in [woonplaats] heeft gehad, zijn situatie zo uitzonderlijk is dat een uitzondering op het woonplaatsbegrip moet worden gemaakt. Zijn vrouw en vier kinderen zijn uit Libië gevlucht. De kinderen van appellant werden eigenlijk geacht bij appellant te gaan wonen, maar omdat hij niet beschikte over passende woonruimte was dit niet mogelijk, maar ook als hij wel zou hebben beschikt over passende woonruimte zou dit in praktijk niet haalbaar geweest zijn. Drie van zijn kinderen lijden aan het zeer zeldzame Spata-5-syndroom. Appellant kreeg toestemming van het COA om veel in het AZC te zijn om noodzakelijke zorg aan zijn kinderen te verlenen omdat de ernst van de beperkingen van de kinderen niet enkel door moeder gedragen kunnen worden in de dagelijkse zorg. Ook mocht hij waar nodig ook ’s nachts verblijven in het AZC als dat noodzakelijk was voor de zorg voor zijn gezin en kinderen. Hij heeft echter nooit zijn (hoofd)verblijfplaats in [woonplaats] opgegeven of prijsgegeven. Verder is van belang dat appellant zijn klantmanager van de Gemeente [woonplaats] destijds steeds stap voor stap op de hoogte heeft gehouden van deze gang van zaken. Hij heeft dan ook niets gedaan zonder medeweten van de Gemeente [woonplaats] .
7.6.
Het college heeft zijn conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn woonplaats in [woonplaats] had, onder meer gebaseerd op de waarnemingen van 8 januari 2021 tot en met 4 februari 2021 in de omgeving van de woning van appellant in [woonplaats] , de verklaring van appellant op 5 februari 2021 en het aansluitende huisbezoek. Tijdens waarnemingen op meerdere verschillende dagen in de periode van 8 januari 2021 tot en met 4 februari 2021 is de auto van appellant maar één keer op de parkeerplaats bij het gebouw aangetroffen. Tijdens het gesprek op 5 februari 2021 heeft appellant verklaard dat hij vanaf 16 september 2020 altijd bij zijn vrouw en kinderen is geweest die in diverse AZC’s hebben verbleven. Hij was heel lang niet op zijn adres geweest. Soms 1 week soms 2 weken, soms 3 weken. Hij heeft weken in zijn auto geslapen. Hij blijft de hele week bij zijn vrouw en kinderen om te helpen. Omdat de benzinekosten hoog zijn bleef hij daarom daar slapen in de auto. In AZC [plaatsnaam] mocht hij logeren. Vanaf 16 september 2020 was hij bezig met zijn vrouw en kinderen en was hij altijd met hen. Hij is 90% bij zijn vrouw en kinderen. Het klopt dat zijn post dagenlang blijft liggen op de tafel in de hal omdat hij bij het AZC is. Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Het uitkeringsadres is een voormalig kantoorpand (antikraak). In de kamer van appellant staat één bed en er liggen her en der papieren, administratie, flessen en koffers op de grond. Er was geen ander meubilair of inrichting aanwezig in de kamer. Er was geen wasgoed of gordijnen. Appellant verklaarde naar aanleiding van de aangetroffen situatie in de kamer: “Er staat bijna niks want ik verblijf hier ook bijna niet. Ik ben heel veel bij mijn vrouw en kinderen.” Appellant heeft deze onderzoeksbevindingen niet betwist.
7.7.
Gelet op deze onderzoeksbevindingen was er, anders dan appellant aanvoert, een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf buiten [woonplaats] had. De reden hiervoor, namelijk vanwege verzorging van zijn kinderen in verschillende AZC’s, is voor de vraag waar appellant zijn hoofdverblijf heeft niet relevant.
7.8.
Met betrekking tot de subsidiaire beroepsgrond van appellant dat door zijn bijzondere situatie een uitzondering op het woonplaatsvereiste gemaakt moet worden, oordeelt de Raad het volgende. Artikel 40 van Pro de PW is een dwingendrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. In de PW is hierop geen uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd niet nader geconcretiseerd op welke grond van deze bepaling afgeweken zou kunnen worden.
7.9.
De Raad hecht eraan op te merken dat appellant, als het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven in [plaatsnaam] lag, aldaar bijstand had kunnen aanvragen. Appellant heeft ter zitting gezegd dat hij in [plaatsnaam] heeft geprobeerd een aanvraag in te dienen maar dat tegen hem is gezegd dat hij in de gemeente [plaatsnaam] ingeschreven moest zijn voordat hij een aanvraag kon indienen. Dat appellant geen aanvraag heeft ingediend, komt voor zijn risico. Verder heeft appellant ter zitting niet kunnen zeggen op welke datum hij zijn klantmanager heeft ingelicht en wat hij precies tegen zijn klantmanager heeft gezegd, zodat niet duidelijk is of hij heeft doorgegeven dat hij feitelijk zoveel bij zijn vrouw en kinderen verbleef. Het college stelt namelijk dat het college niet op de hoogte was van de situatie en dat het college anders van betekenis had kunnen zijn bij een eventuele aanvraag in [plaatsnaam] .

Conclusie en gevolgen

7.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2021 in stand blijven.
8. Omdat het college met het nader besluit is tegemoetgekomen aan het hoger beroep voor zover dat zag op bestreden besluit 2, bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 934,- (1 punt in hoger beroep voor het indienen van het hoger beroepschrift) voor verleende rechtsbijstand. Ook komt appellant in aanmerking voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 40, eerste lid
Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038, van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3110.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432.