Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:804

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/466 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft na een verkeersongeval een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering, die door het Uwv is geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Uwv stelden beperkingen vast, maar concludeerden dat appellant geschikt is voor bepaalde functies die passen binnen zijn belastbaarheid.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige motiveerde waarom de geselecteerde functies passend zijn, waarbij voorzieningen zoals een draaistoel als redelijk worden geacht.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat de verklaringen van zijn behandelaren onvoldoende zijn meegewogen. De Raad volgde dit niet en vond dat het Uwv-onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd was. Ook de aanvullende stukken van appellant boden geen aanleiding tot een ander oordeel.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tevens krijgt appellant geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant terecht geen WIA-uitkering ontvangt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

25/466 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 januari 2025, 24/3110 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant terecht per 4 november 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 maart 2026. Voor appellant is
mr. Kaya verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
Namens appellant heeft mr. Kaya op 31 maart 2026 een nader stuk overgelegd.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een tweede onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat beide partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als gastheer bij [naam sportschool] voor 23,10 uur per week. Op 6 november 2021 heeft hij zich ziekgemeld met klachten na een verkeersongeval. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 8 december 2023 geweigerd appellant met ingang van 4 november 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 11 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank ligt aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. Beide verzekeringsartsen hebben appellant gesproken en onderzocht op een spreekuur en hebben de voorhanden medische informatie op voldoende inzichtelijke wijze bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van wat appellant heeft aangevoerd extra beperkingen heeft aangenomen in de FML.
2.2.
Volgens de rechtbank is de belastbaarheid van appellant op de datum in geding navolgbaar gemotiveerd in de rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep. Als gevolg van een whiplashtrauma heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen op stressbelasting en verhoogd persoonlijk risico door duizeligheidsklachten. Verder is appellant volgens de verzekeringsarts beperkt voor fysiek zwaar werk en is een urenbeperking aangenomen van maximaal twintig uur per week en vier uur per dag op energetische gronden en een verstoorde nachtrust. Gelet op de informatie van Mediant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om extra beperkingen aan te nemen op intensief samenwerken. Ook is appellant wegens de nek- en duizeligheidsklachten onder meer niet geschikt te achten voor beroepsmatig vervoer, zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van nekbelastende persoonlijke beschermmiddelen en is appellant aangewezen op taken waarbij houdingsveranderingen niet diep en niet snel moeten worden uitgevoerd. Deze en meer extra beperkingen zijn vastgelegd in de gewijzigde FML van 30 april 2024, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft gezien voor een verdere urenbeperking, dan twintig uur per week, vier uur per dag. In de in beroep overgelegde medische gegevens is geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen.
2.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant. Een mogelijke overschrijding in de functies op het aspect hoofdbewegingen maken is volgens de arbeidsdeskundige eenvoudig op te lossen door een draaistoel. Ook het betoog van appellant ten aanzien van reiken wordt door de rechtbank niet gevolgd. Er zijn geen functies waar enkel met links gereikt moet worden. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende overtuigend toegelicht waarom de geselecteerde functies op dit onderdeel geschikt zijn, wat ook geldt voor de totaalbelasting van deze functies.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat – kort weergegeven – onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen en dat de verklaringen van zijn behandelaren (waaronder Het Roessingh en Mediant) onvoldoende door de verzekeringsartsen van het Uwv bij de beoordeling zijn betrokken. Ook mag de arbeidsdeskundige volgens appellant niet zijn vindingrijkheid gebruiken om overschrijdingen in de functies te rechtvaardigen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant betoogd dat de opmerking in zijn aanvullende gronden van 22 april 2025, dat andere deskundigen te kennen hebben gegeven dat appellant met rechts tot twaalf maal een handeling kan herhalen, is beschreven in een stuk dat zich (nog) niet in het dossier bevindt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Wat appellant daartegen in hoger beroep en zonder medische onderbouwing heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en terecht geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. De brief van de fysiotherapeut van appellant die door gemachtigde van appellant na de zitting, op 31 maart 2026, nog is overgelegd, kan niet leiden tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de stelling van appellant dat hij met rechts tot maximaal twaalf maal een handeling kan herhalen, in het geheel niet wordt benoemd in dit, overigens ongedateerde stuk. Ook bevat het geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het Uwv onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de beperkingen van appellant. Er is in de FML immers onder meer rekening gehouden met frequent reiken, duwen en trekken en tillen en dragen. Voor twijfel aan de bevindingen van het Uwv is de overgelegde brief dan ook ontoereikend.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 30 april 2024 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de opvatting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. Ook op dit punt worden de overwegingen van de rechtbank onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.4.
Het is vaste rechtspraak van de Raad, onder meer de uitspraak van 11 december 2024 [1] , dat bij een schatting ervan mag worden uitgegaan dat een werkgever voorzieningen treft die in redelijkheid van hem verwacht mogen worden. Voldoende is dat als een noodzakelijke voorziening op de datum in geding nog niet aanwezig is, aannemelijk is dat deze voorziening alsnog kan worden verkregen. Een draaistoel, voor zover deze al niet op de werkplek aanwezig is, is een voorziening die in alle redelijkheid van een werkgever kan worden gevergd.
5.5.
De overige door appellant gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen. Deze stelling treft, zoals uit 5.2 volgt, geen doel.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2331.