ECLI:NL:CRVB:2026:804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft na een verkeersongeval een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering, die door het Uwv is geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Uwv stelden beperkingen vast, maar concludeerden dat appellant geschikt is voor bepaalde functies die passen binnen zijn belastbaarheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige motiveerde waarom de geselecteerde functies passend zijn, waarbij voorzieningen zoals een draaistoel als redelijk worden geacht.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat de verklaringen van zijn behandelaren onvoldoende zijn meegewogen. De Raad volgde dit niet en vond dat het Uwv-onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd was. Ook de aanvullende stukken van appellant boden geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tevens krijgt appellant geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant terecht geen WIA-uitkering ontvangt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.