ECLI:NL:CRVB:2026:81

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24/174 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke zaak

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Het Uwv heeft op 5 december 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarop appellante haar hoger beroep heeft ingetrokken. Appellante verzocht de Raad om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft vastgesteld dat het Uwv aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, waardoor het hoger beroep niet meer nodig was. De Raad heeft de proceskosten die appellante in verband met het hoger beroep heeft gemaakt, begroot op € 934,-. Het verzoek om vergoeding van verletkosten is afgewezen, omdat appellante de kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast heeft de Raad een gedeeltelijke vergoeding voor de kosten van een deskundige toegewezen, tot een bedrag van € 560,84. Het totale bedrag aan voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 1.494,84. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen, omdat de redelijke termijn niet is overschreden. De Raad heeft bepaald dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2023, 22/1622 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 januari 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.B.M. Kersten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 5 december 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben op elkaars standpunten gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met het besluit van 5 december 2024 aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. De rechtbank heeft al bepaald dat het Uwv de kosten moet vergoeden die appellante voor de behandeling van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Appellante heeft in haar hoger beroepschrift geen gronden aangevoerd tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak. Daarom valt het verzoek van appellante om vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte kosten buiten de omvang van het geding. De Raad zal alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1) voor verleende rechtsbijstand. De intrekking van het hoger beroep is geen proceshandeling die voor vergoeding in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding om, zoals door appellante is verzocht, wegingsfactor 2 toe te passen. Daarbij is van belang dat de proceskostenveroordeling uitsluitend betrekking heeft op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. De complexiteit van het hoger beroep is niet van dien aard dat dit een hogere wegingsfactor rechtvaardigt. Dat in de loop der tijd verschillende besluiten zijn genomen, waarover deels ook door appellante is geprocedeerd, en partijen een intensief mediationtraject hebben doorlopen, is geen reden om bij het vaststellen van de vergoeding voor de in hoger beroep verleende rechtsbijstand uit te gaan van een hogere wegingsfactor.
Het verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen, omdat appellante de gestelde kosten onvoldoende heeft onderbouwd.
Appellante heeft verder verzocht om vergoeding van kosten voor het inschakelen van een deskundige. Dit verzoek komt gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Daartoe is van belang dat het Uwv in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 5 december 2024 al een vergoeding heeft toegekend voor het inschakelen van de deskundige ter hoogte van € 4.150,18 inclusief omzetbelasting (21,5 uur). Appellante heeft gevraagd om een aanvullende vergoeding voor 37 uur in verband met in hoger beroep verrichte werkzaamheden van deze deskundige. Hierbij is een factuur overgelegd van de deskundige van 31 mei 2025 voor drie uur aan verrichtingen en een factuur van 9 juni 2025 voor 34 uur aan verrichtingen. De Raad gaat ervan uit dat de factuur van 31 mei 2025 betrekking heeft op het in hoger beroep ingediende rapport van de deskundige van 7 januari 2024. De vergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, wordt berekend conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Daarbij geldt een maximaal uurtarief van € 154,50 in 2024. De kosten voor het rapport van de deskundige komen daarom tot een bedrag van € 560,84 (3 x € 154,50, vermeerderd met de omzetbelasting) voor vergoeding in aanmerking. De factuur van 9 juni 2025 is niet herleidbaar tot een in hoger beroep ingediend rapport van de deskundige en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Het totale bedrag aan voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 1.494,84.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De termijn is aangevangen op 13 december 2021, de dag waarop het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 november 2021 heeft ontvangen. Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment waarop dit besluit is bekendgemaakt. [1] Dat is in dit geval op 5 december 2024, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden
Het Uwv moet het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.494,84;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2025.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.