ECLI:NL:CRVB:2026:81
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV, proceskostenveroordeling en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar dit beroep ingetrokken nadat het UWV op 5 december 2024 aan haar bezwaren tegemoet is gekomen met een gewijzigde beslissing op bezwaar. De rechtbank had reeds bepaald dat het UWV de kosten voor bezwaar en beroep moest vergoeden, en appellante heeft in hoger beroep alleen nog proceskosten opgeëist.
De Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek om vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten toegewezen, begroot op € 934,- voor rechtsbijstand, en daarnaast een vergoeding van € 560,84 voor een deskundigenrapport dat in hoger beroep is ingediend. Verzoeken om een hogere wegingsfactor en vergoeding van verletkosten zijn afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen omdat de redelijke termijn van vier jaar niet is overschreden; deze liep van ontvangst bezwaar op 13 december 2021 tot de bekendmaking van het tegemoetkomende besluit op 5 december 2024.
Tot slot is het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 138,-. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 januari 2026.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en deskundigenkosten, terwijl het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt afgewezen.