ECLI:NL:CRVB:2026:81
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke zaak
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Het Uwv heeft op 5 december 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarop appellante haar hoger beroep heeft ingetrokken. Appellante verzocht de Raad om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft vastgesteld dat het Uwv aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, waardoor het hoger beroep niet meer nodig was. De Raad heeft de proceskosten die appellante in verband met het hoger beroep heeft gemaakt, begroot op € 934,-. Het verzoek om vergoeding van verletkosten is afgewezen, omdat appellante de kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast heeft de Raad een gedeeltelijke vergoeding voor de kosten van een deskundige toegewezen, tot een bedrag van € 560,84. Het totale bedrag aan voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 1.494,84. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen, omdat de redelijke termijn niet is overschreden. De Raad heeft bepaald dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.