Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:810

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
23/398 AW-R
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rectificatie uitspraak Centrale Raad van Beroep over proceskostenvergoeding in sociaal zekerheidszaak

De Centrale Raad van Beroep heeft op 18 juni 2026 een rectificatie uitgesproken van haar eerdere uitspraak van 19 maart 2026. De rectificatie betreft een kennelijke fout in de vaststelling van de door het college te vergoeden proceskosten aan appellante in een sociaal zekerheidsrechtelijke procedure.

Na het constateren van de fout heeft de Raad partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de voorgenomen rectificatie. Het college heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van 0,5 punt voor de reactie op het nader besluit, maar verder geen bezwaar tegen de rectificatie. Appellante heeft niet gereageerd, waardoor de Raad ervan uitging dat zij geen bezwaar had.

De Raad heeft het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, begroot op in totaal € 11.736,-. Tevens krijgt appellante het betaalde griffierecht van € 168,- in beroep terug. De rectificatie-uitspraak is voorzien van een eigen ECLI-nummer en wordt gepubliceerd samen met de gerectificeerde oorspronkelijke uitspraak.

De uitspraak is gedaan door voorzitter Y. Sneevliet en leden G.C. Boot en B. Serno, in aanwezigheid van griffier P.W.J. Hospel, en is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van € 11.736,- aan proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.

Uitspraak

23/398 AW-R, 23/495 AW-R, 23/496 AW-R en 25/1454 AW-R
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak tot rectificatie van de uitspraak van de Raad van 19 maart 2026, 23/398 AW, 23/495 AW, 23/496 AW en 25/1454 AW
Partijen:
[appellante] zonder vaste woon- en verblijfplaats (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

PROCESVERLOOP

De Raad heeft, na hier door appellante op te zijn gewezen, vastgesteld dat de uitspraak van 19 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:336 een kennelijke fout bevat. Het betreft de vaststelling van de door het college te vergoeden proceskosten.
De Raad heeft partijen daarom bij brief van 22 april 2026 in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over een rectificatie van de uitspraak. Partijen is in die brief meegedeeld dat zij binnen 14 dagen kunnen reageren op deze brief. Daarbij is vermeld dat in het geval er binnen die termijn geen reactie wordt ontvangen, de Raad er dan vanuit gaat dat er geen bezwaar bestaat tegen verbetering van de uitspraak.
Het college heeft hierop schriftelijk te kennen gegeven dat het van mening is dat de Raad ten onrechte 0,5 punt heeft toegekend voor de reactie op het nader besluit. Het college heeft verder geen bezwaar tegen de rectificatie. Appellante heeft niet gereageerd. Zoals in de brief is vermeld, gaat de Raad ervan uit dat er bij appellante geen bezwaar bestaat tegen de voorgenomen rectificatie.

OVERWEGINGEN

In de kop van de uitspraak wordt het zaaknummer 23/398 AW-G, 23/495 AW-G, 23/496 AW-G en 25/1454 AW-G toegevoegd.
De Raad wijzigt in de uitspraak rechtsoverweging 7 en de beslissing als volgt:
7. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 3.330,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift gericht tegen het niet hervatten van de loondoorbetaling en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het bezwaarschrift gericht tegen de dienstopdracht, 1 punt voor het bezwaarschrift gericht tegen het ontslagbesluit en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-); € 5.604,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift gericht tegen bestreden besluit 1, 1 punt voor het beroepschrift gericht tegen bestreden besluit 2, 1 punt voor het beroepschrift gericht tegen bestreden besluit 3 en 3 punten voor de zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,-); € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de reactie op het nader besluit en 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. Dit is in totaal € 11.736,-. Appellante krijgt ook het betaalde griffierecht in beroep terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 1 augustus 2016, 8 mei 2018 en 18 juli 2018;
  • herroept de besluiten van 11 november 2015, 5 april 2017 en 19 december 2017;
  • verklaart het beroep tegen het nader besluit van 28 mei 2025 ongegrond;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 11.736,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De rectificatie uitspraak krijgt een eigen ECLI-nummer en wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Ook de gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl. onder een nieuw ECLI-nummer.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 19 maart 2026 zoals in de overwegingen is weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en G.C. Boot en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) P.W.J. Hospel