ECLI:NL:CRVB:2026:826

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
24/2790 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens inkomen uit arbeid

Appellant ontving sinds januari 2011 bijstand en trad in september 2022 in dienst als taxichauffeur. Het college blokkeerde de bijstand vanaf november 2022 vanwege het leer-werktraject. Het salaris over september en oktober 2022 werd in oktober en november uitbetaald.

Het college besloot de bijstand met ingang van 27 september 2022 in te trekken en de ten onrechte ontvangen bijstand over de periode tot en met 31 oktober 2022 terug te vorderen, omdat het inkomen uit arbeid hoger was dan de bijstandsnorm. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat terugvordering over oktober onterecht was omdat hij in die maand geen salaris ontving, maar dit werd verworpen. De Raad volgt de uitleg van de rechtbank dat het loon wordt toegerekend aan de maand waarin de werkzaamheden zijn verricht, waardoor het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand blijft in stand.

Uitspraak

24/2790 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2024, 23/5382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: W.B. Eefting
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. de Jong.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontving sinds 30 januari 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande. Via een leer-werktraject is appellant op 27 september 2022 als taxichauffeur in dienst getreden bij [naam B.V.] voor de duur van zeven maanden. In verband met het opleidingstraject heeft het college de uitbetaling van de bijstand vanaf 1 november 2022 geblokkeerd. Zijn salaris voor de gewerkte dagen/uren in september 2022 bedroeg € 360,95 en is uitbetaald op 31 oktober 2022. Zijn salaris voor de gewerkte dagen/uren in oktober 2022 bedroeg € 1.314,30 en is uitbetaald op 29 november 2022. In november 2022 heeft appellant zijn opleiding met succes afgerond en heeft hij zijn chauffeurspas behaald. Met ingang van 1 mei 2023 heeft appellant een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gekregen.
2. Met een besluit van 2 mei 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 juni 2023 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 27 september 2022 ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 27 september 2022 tot en met 31 oktober 2022 tot een bedrag van € 1.186,30 netto van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant sinds 27 september 2022 inkomsten uit arbeid heeft die hoger zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Als gevolg hiervan heeft appellant ten onrechte bijstand ontvangen.
3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer en voor zover hier van belang het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen:
“5. Niet in geschil is dat eiser vanaf 27 september 2022 werkzaamheden verricht en dat hij het loon over september en oktober 2022 in respectievelijk oktober en november 2022 heeft ontvangen.
5.1. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt inkomen toegerekend naar de periode waarop dat betrekking heeft. Bij inkomsten uit arbeid is dat volgens vaste rechtspraak de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht.1 Dat betekent in dit geval dat het in oktober 2022 ontvangen loon voor in september 2022 verrichte werkzaamheden, wordt toegerekend naar de maand september 2022 en in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering over die maand. Hetzelfde geldt voor het in november 2022 ontvangen loon voor de in oktober 2022 verrichte werkzaamheden. Nu niet in geschil is dat eisers inkomen vanaf zijn indiensttreding hoger was dan de bijstandsnorm, was het college bevoegd om de bijstand vanaf 27 september 2022 in te trekken en de over de periode van 27 september 2022 tot en met 31 oktober 2022 verstrekte bijstand van eiser terug te vorderen. [...]”
1. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:996.
4. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, komt er, net als in beroep, in de kern op neer dat het onterecht is dat bijstand wordt teruggevorderd over een maand waarin hij geen salaris van de werkgever heeft ontvangen. Hij heeft in oktober 2022 salaris ontvangen tot een bedrag van € 360,95. Het is terecht dat het college dat bedrag van hem terugvordert, maar niet dat ook bijstand over oktober 2022 wordt teruggevorderd. In die maand heeft hij namelijk geen salaris ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt om de volgende reden niet.
5. Wat appellant aanvoert, is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de onder 3 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.
6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering in stand blijven.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) W.B. Eefting (getekend) W.F. Claessens