ECLI:NL:CRVB:2026:831

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/197 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Wet WIAArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens geen toegenomen beperkingen binnen vijf jaar

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv om geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat volgens het Uwv geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van de eerdere WIA-uitkering. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroep ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen groter zijn dan door het Uwv aangenomen en verzocht om een onafhankelijke deskundige vanwege het beginsel van equality of arms.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. De medische rapporten, waaronder die van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geven geen aanleiding tot twijfel over de juistheid van het oordeel dat er geen toename van beperkingen is. De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af, omdat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om medische informatie aan te dragen.

Daarnaast heeft appellant een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. De rechtbank heeft de Staat reeds veroordeeld tot betaling van €1.000,- voor de rechterlijke fase. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het verzoek om vergoeding af. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het Uwv om geen WIA-uitkering toe te kennen blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/197 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2024, 22/3260 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 17 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellant met ingang van 1 augustus 2020 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend om aan het Uwv een nadere reactie te vragen. Het Uwv heeft deze nadere reactie gegeven, waarop appellant heeft gereageerd.
Vervolgens heeft mr. M. Hoefs, advocaat, zich gesteld als nieuwe gemachtigde van appellant.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat der Nederlanden (de Staat) als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker productie voor gemiddeld 36,67 uur per week. Op 22 februari 2011 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Bij besluit van 23 december 2013 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 6 januari 2014 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100% arbeidsongeschiktheid. Per 6 november 2015 is de uitkering gewijzigd naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. De WIA-uitkering is per 7 september 2018 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De besluitvorming van het Uwv heeft in beroep [1] en in hoger beroep [2] standgehouden. Uitgegaan daarbij is van een in beroep aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juli 2018.
1.2.
Appellant heeft zich bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 1 augustus 2020. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 27 december 2021 geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 7 september 2018. De verzekeringsarts heeft daarbij toegelicht dat de uit de radiculopathie L5 met neurogene pijn dan wel het failed back surgery syndroom voortvloeiende beperkingen niet zijn gewijzigd.
1.3.
Bij besluit van 31 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat van een evident gewijzigd medisch beeld ook uit de gronden van bezwaar niet blijkt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat tot het aannemen van meer beperkingen per 1 augustus 2020. De verwijzing naar de Sint Maartenskliniek die aanleiding was voor de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid, maakt niet dat de beperkingen ook zijn toegenomen. Uit de gegevens van deze kliniek blijkt ook niet van een gewijzigd medisch beeld. De behandelaar schrijft zelfs dat appellant zijn rug normaal mag belasten. Ook de overige in bezwaar verkregen medische informatie geeft geen aanleiding voor meer beperkingen. De ondersteuning door de POH-GGZ is gericht op het omgaan met de klachten en in de afgelopen jaren is geen aanleiding gebleken voor intensivering van de gesprekken of verwijzing naar andere GGZ-behandelaars. De in beroep ingebrachte rapporten van 19 september 2023 en 5 juli 2024 van arts J.H.L. Wijers leiden niet tot een ander oordeel. Uit die rapporten blijkt niet dat het beschreven medisch beeld is toegespitst op de datum in geding. De multidisciplinaire behandeling bij Heliomare is pas veel later ingezet. Daarnaast heeft Wijers volgens de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt hoe hij op basis van zijn onderzoeksbevindingen tot de diagnose somatische symptoomstoornis is gekomen en waarom deze diagnose tot meer beperkingen per 1 augustus 2020 zou moeten leiden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen. Naar het oordeel van de rechtbank is er ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van conclusies van de arbeidskundige bezwaar en beroep. In het rapport van 25 juli 2022 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat de arbeidskundige beroepsgronden niet slagen. Appellant is beperkt op langdurige pedaalbediening met links. In het merendeel van de functies is geen sprake van pedaalbediening. In de functies waar dit wel aan de orde is, kan dit met de rechtervoet worden uitgevoerd. Appellant kan ongeveer 45 minuten achtereen en het grootste gedeelte van de werkdag zitten. In de geselecteerde functies wordt dit niet overschreden. Voor het bepalen van de restverdiencapaciteit wordt verder uitgegaan van het loon van de middelste van de drie functies met de hoogste waarde. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant zijn de uit zijn klachten voortkomende beperkingen onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de in beroep overgelegde rapporten en een nieuw rapport van 2 augustus 2025 van Wijers. Met een beroep op equality of arms en artikel 6 van Pro het EVRM en onder verwijzing naar onder meer het Korošec-arrest [3] , heeft appellant de Raad verzocht om alsnog een onafhankelijke deskundige te benoemen. Appellant heeft verder herhaald dat de geselecteerde functies niet passend zijn voor hem.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar rapporten van 20 augustus 2025, 12 september 2025 en 30 oktober 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
5.2.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van appellant op 1 augustus 2020 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 3 juli 2018, en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 augustus 2020. [4]
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De rapporten van Weijers leiden ook in hoger beroep niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar toegelicht dat het inzetten van een multidisciplinaire behandeling bij Heliomare op een veel later moment (vanaf 12 september 2022) dan op de datum in geding (1 augustus 2020) er niet toe leidt dat de belastbaarheid op de datum in geding voor onjuist moet worden gehouden. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in eerste instantie heeft aangenomen, is in hoger beroep niet meer in geschil dat appellant op de datum in geding ook een somatisch symptoom stoornis had. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt echter gevolgd in zijn reactie dat deze enkele diagnose niet bepalend is voor het vaststellen van de mate van de beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn reactie dat deze diagnose niet leidt tot meer beperkingen verder waarde kunnen hechten aan de informatie over het bij I-psy van 23 augustus 2019 tot en met 20 juli 2020 gevolgde traject. Daarin wordt vermeld dat appellant zeer kort voor de datum in geding meer balans heeft gekregen in de dagelijkse activiteiten die hij uitvoert en de focus heeft veranderd naar de positieve dingen in zijn leven en wat hij nog wel kan. Voor de overige aanvullende beperkingen die er volgens Wijers zijn ontbreekt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onderbouwing. Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan deze inzichtelijk gemotiveerde toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.4.
Het betoog van appellant dat in deze procedure zonder benoeming van een deskundige sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, slaagt niet. Het beginsel van equality of arms vergt een balans voor partijen in hun mogelijkheden om bewijsmateriaal aan te dragen, die de rechter in staat moet stellen een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Appellant heeft zowel bij zijn aanvraag als daarna medische informatie overgelegd die naar haar aard geschikt is om twijfel te zaaien aan het standpunt van de artsen van het Uwv. Bovendien heeft appellant in (hoger) beroep rapporten van arts Wijers ingebracht. De verzekeringsartsen hebben de beschikbare informatie kenbaar beoordeeld. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Omdat er ook geen twijfel bestaat over de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen, is er ook om die reden geen aanleiding een deskundige te benoemen.
5.5.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5.6.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Ook in de procedure bij de rechtbank heeft hij een zodanig verzoek gedaan. Dit verzoek betrof blijkens de aangevallen uitspraak alleen de rechterlijke fase. De Raad zal zijn beoordeling van het verzoek daarom ook tot die rechterlijke fase beperken. Vanaf het moment van indiening van het beroepschrift bij de rechtbank op 5 juli 2022 tot aan het moment van deze uitspraak zijn drie jaar en (afgerond naar boven) elf maanden verstreken. Dat levert € 1.000,- aan schadevergoeding op. De rechtbank heeft de Staat al veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal gelet op 5.6 worden afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek van betrokkene om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 juni 2019, 18/3406.
2.Uitspraak van de Raad 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2867.
3.EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.