ECLI:NL:CRVB:2021:2867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich in 2011 ziek met rugklachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Na meerdere herbeoordelingen stelde het UWV op 28 november 2017 de arbeidsongeschiktheid vast op 45,51%, later bij bezwaar en beroep op minder dan 35%, waarna de WIA-uitkering per 7 september 2018 werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond vanwege onvoldoende motivering van het UWV over de geschiktheid van functies, vernietigde het besluit en beval een nieuwe beslissing. Het UWV nam op 1 juli 2019 een nieuw besluit (bestreden besluit 2) waarbij de arbeidsongeschiktheid op 0% werd vastgesteld, gebaseerd op een alternatieve functie binnen dezelfde SBC-code.
Appellant voerde hoger beroep aan wegens vermeende verboden reformatio in peius en onvoldoende rekening met zijn complexe rugaandoening. De Raad onderschreef de rechtbank dat geen sprake was van reformatio in peius, omdat het UWV bevoegd was de uitkering te beëindigen en appellant voldoende gelegenheid had zijn standpunten te onderbouwen.
De medische beoordeling door verzekeringsartsen was zorgvuldig en hield rekening met relevante medische informatie, waaronder van een revalidatiearts en pijnspecialist. De Raad vond geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. Ook de arbeidskundige beoordeling was voldoende gemotiveerd, waarbij de geselecteerde functies medisch passend werden geacht.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de procedure binnen de vierjaarstermijn was afgerond.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 1 juli 2019 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.