ECLI:NL:CRVB:2026:871

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
24/1525 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit ondanks medische beperkingen

Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek met klachten aan het linkerbeen en chronische lage rugklachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 10 januari 2023 omdat hij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen in passende functies. Appellant voerde aan dat hij door ernstige rugklachten en zenuwpijnen niet in staat was deze functies te vervullen en verzocht om een onafhankelijke verzekeringsarts.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen terecht uitgingen van objectieve beperkingen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel na heropening van het onderzoek en het inbrengen van aanvullende medische stukken door appellant. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling en de vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren en dat de geselecteerde functies passend zijn.

De Raad wees het verzoek van appellant om benoeming van een onafhankelijke verzekeringsarts af en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt. De beëindiging van de Ziektewetuitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen in passende functies.

Uitspraak

24/1525 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024, 23/752 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 10 januari 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te verrichten zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.E.J. Dohmen, advocaat, hoger beroep ingesteld en de gronden van het beroep inclusief nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dohmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend.
Appellant heeft nadere medische informatie in het geding gebracht. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van 8 december 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat het Uwv te kennen heeft gegeven geen nadere zitting te wensen en appellant niet binnen de gestelde termijn heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor 25 uur per week. Op 15 oktober 2021 heeft hij zich ziek gemeld met klachten aan het linkerbeen en chronische lage rugklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 november 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de verdiencapaciteit van appellant vastgesteld op 76,78%. Het Uwv heeft bij besluit van 9 december 2022 de ZW uitkering van appellant met ingang van 10 januari 2023 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 22 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de beperkingen en mogelijkheden van appellant correct zijn vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de primair geselecteerde functies blijvend geschikt zijn voor appellant en heeft het verdienvermogen van appellant ongewijzigd vastgesteld op 76,78%.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De primaire arts heeft appellant gezien op het spreekuur, heeft dossierstudie verricht en heeft appellant lichamelijk onderzocht. De beschikbare informatie is meegewogen in de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft de bevindingen van de primaire arts. Hij heeft dossierstudie verricht, appellant gezien tijdens het spreekuur en de ingebrachte bezwaren meegenomen in zijn heroverweging.
2.2.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. De artsen van het Uwv hebben aangegeven dat appellant op de datum in geding was aangewezen op rugsparend werk waarin hij kan vertreden. Uit de rapporten blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten en dat bij de opstelling van de FML met het geobjectiveerde deel van deze klachten rekening is gehouden. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen terecht zijn uitgegaan van de medisch te objectiveren beperkingen en dat de subjectieve beleving van een betrokkene van zijn klachten niet beslissend is bij de beoordeling van de vraag welke objectieve beperkingen zijn vast te stellen. De door appellant in beroep overgelegde medische informatie en zijn schrijven over zijn medische situatie ten tijde van de datum in geding geven de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen.
2.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank tot slot geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft de medische beoordeling plaatsgevonden in strijd met de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn klachten en beperkingen. Zo leed appellant aan slopende zenuwpijnen als gevolg van afwijkingen in zijn rug, te weten de afwezigheid van tussenwervelschijven, waarvoor hij inmiddels is geopereerd. Appellant was niet in staat de geselecteerde functies te vervullen of aan het arbeidsproces deel te nemen. Het Uwv heeft ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Appellant verzoekt de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat de primaire arts aanvullende vragen had moeten stellen over de slijtage aan de rug, de foraminale stenose en de pijnklachten als gevolg daarvan. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst appellant erop dat hij tijdens het gesprek bij de primaire arts heeft verteld dat hij onder behandeling is van een arts in Keulen. Daarnaast heeft appellant ter zitting aangevoerd dat het feit dat hij op 9 november 2023 aan zijn rug is geopereerd terugwerkt tot de datum in geding, aangezien de aandoening niet van de ene op de andere dag is ontstaan maar langzaam gedurende een periode van jaren ontstaat. Appellant heeft verklaard dat hij in het bezit is van medische stukken, onder andere uit 2015, ter onderbouwing van zijn standpunt dat op de datum in geding al sprake was van ernstige slijtage, degeneratie en zenuwpijnen en dus dat het Uwv zijn rugklachten en de beperking die hij daarvan ondervindt heeft onderschat.
4.4.
Na de behandeling ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en appellant in de gelegenheid gesteld nadere medische informatie in het geding te brengen die ziet op de datum in geding 10 januari 2023. Appellant heeft een aantal (medische) stukken in het geding gebracht. Het gaat om een transcriptie van het gesprek met de primaire arts op 17 november 2022, brieven van 27 oktober 2025 en 22 februari 2021 van neurochirurg P. Simons, een kopie van e-mailverkeer uit 2017 tussen appellant en neurochirurg P. Simons, diverse ongedateerde brieven van anesthesioloog S.H.V. Janssen, een brief van 5 november 2024 van orthopedisch chirurg dr. M. Beekhuizen, brieven van 22 februari 2021 en 16 februari 2024 van radioloog drs. W.L. Mok, een brief van 19 september 2022 van anesthesioloog dr. R.H. Dakheel en diverse kopieën van foto’s van de rug van appellant.
4.5.
De Raad stelt vast dat uit de transcriptie van het gesprek met de primaire arts op 17 november 2022 volgt dat appellant heeft gezegd “(…)
Patrick Simons heeft toen tegen mij verteld van je hebt ook slechte tussenwervelschijven(…)”. De primaire arts had hierin echter geen aanleiding hoeven zien om nadere informatie op te vragen. Deze enkele losse opmerking, zonder context of nadere informatie, is hiervoor onvoldoende. Uit het rapport van de primaire arts volgt bovendien dat reeds voldoende informatie, van de bedrijfsarts en informatie van dr. R.H. Dakheel van DC Klinieken, aanwezig was. Van een onzorgvuldig onderzoek wegens het niet opvragen van informatie is daarom geen sprake.
4.6.
Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd toegelicht dat de door appellant in hoger beroep in het geding gebrachte stukken de al bekende gegevens bevestigen. Bij appellant is sprake van status na laminectomie wegens HNP L4-L5. HNP L5-S1, recidief HNP L4-L5 en minimaal deels voor de leeftijd normale degeneratieve afwijkingen werden conservatief behandeld. Aansluitend is in november 2023 een spondylodese operatie uitgevoerd, met nadien wegens aanhoudende pijnklachten een conservatieve behandeling met medicatie en op de pijnpoli. Van een forse zenuwbeklemming is geen sprake. Met deze al bekende informatie is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden door appellant belastbaar te achten voor rugsparende arbeid waarin hij kan vertreden. Onder verwijzing naar het rapport in beroep overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met de al aangenomen beperkingen in ruime mate wordt tegemoetgekomen aan de klachten van appellant. De Raad kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen.
4.7.
Nu ook in hoger beroep geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen.
4.8.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de voor appellant geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.