ECLI:NL:CRVB:2026:891

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/2149 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep tegen afwijzing herzieningsverzoek rechtbankuitspraak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarin haar verzoek om herziening van een eerdere rechtbankuitspraak werd afgewezen. De eerdere uitspraak betrof een niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep wegens het niet tijdig betalen van griffierecht. De rechtbank had het verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard en het herzieningsverzoek afgewezen omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd.

De Centrale Raad van Beroep heeft onderzocht of hij bevoegd is om op het hoger beroep te beslissen. De Raad oordeelt dat de eerdere rechtbankuitspraak een uitspraak is waartegen geen hoger beroep openstaat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is ook het hoger beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.

De Raad verklaart zich daarom onbevoegd om te beslissen op het hoger beroep. Dit betekent dat de Raad geen inhoudelijke uitspraak doet over het herzieningsverzoek. Tevens krijgt appellante geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman op 26 juni 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om te beslissen op het hoger beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2129 ANW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2025, 24/2825 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 26 juni 2026

SAMENVATTING

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 30 september 2025 waarbij haar verzoek om herziening van een eerdere rechtbankuitspraak is afgewezen. De Raad oordeelt dat hij niet bevoegd is op het hoger beroep te beslissen omdat die eerdere rechtbankuitspraak een uitspraak is waartegen geen hoger beroep openstaat, zodat ook tegen de rechtbankuitspraak op het verzoek om herziening van die uitspraak geen hoger beroep open moet staan.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2026. Appellante is niet verschenen. De Svb is evenmin verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Met een besluit van 20 juli 2022 heeft de Svb een beslissing gegeven over het recht op uitkering van appellante op grond van de ANW [1] .
1.1.
Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Met een besluit van 30 januari 2023 heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Tegen het besluit van 30 januari 2023 heeft appellante beroep ingesteld. Met een uitspraak van 11 oktober 2023 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [2] dat beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante het griffierecht niet tijdig heeft betaald.
1.3.
Appellante heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van 11 oktober 2023. Met een uitspraak van 7 februari 2024 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:55 van Pro de Awb het verzet ongegrond verklaard. De reden daarvan is dat de rechtbank in de uitspraak van 11 oktober 2023 het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat appellante het griffierecht niet tijdig heeft betaald. Appellante heeft volgens de rechtbank geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de overschrijding van deze termijn verschoonbaar is te achten.
2. Appellante heeft de rechtbank verzocht om herziening van de uitspraak van 7 februari 2024. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan wat appellante heeft aangevoerd niet leiden tot herziening van de uitspraak van 7 februari 2024, omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb. Appellante heeft namelijk niet onderbouwd dat de te late betaling van het griffierecht haar niet kan worden verweten.
3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank het herzieningsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Appellante heeft aangevoerd dat zij recht heeft op een uitkering op grond van de ANW.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt allereerst of hij bevoegd is om te beslissen op het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak. De Raad komt tot het oordeel dat hij daartoe niet bevoegd is.
4.1.
De wettelijke regels die van belang zijn voor de beoordeling of de Raad bevoegd is om te beslissen op het hoger beroep zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en rechtseenheid acht de Raad zich bevoegd kennis te nemen van een tegen een uitspraak van de rechtbank op een herzieningsverzoek ingesteld hoger beroep, ongeacht of de rechtbank inwilligend dan wel afwijzend op het desbetreffende herzieningsverzoek heeft beslist. [3] Dit is anders als het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:104, tweede en vierde lid, van de Awb. Daartegen kan geen hoger beroep worden ingesteld omdat aldus immers de door de wetgever bepaalde beperking van de hoger beroepsmogelijkheden zou worden doorbroken. [4]
4.3.
Het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist heeft betrekking op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Daartegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld. Tegen de aangevallen uitspraak kan daarom geen hoger beroep worden ingesteld. Nu hoger beroep niet mogelijk is, is de Raad onbevoegd om te beslissen op het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak.

Conclusie en gevolgen

5. De Raad verklaart zich onbevoegd. Dit betekent dat de Raad geen uitspraak doet over de vraag of de aangevallen uitspraak in stand moet blijven.
6. Omdat de Raad niet bevoegd is om te beslissen op het hoger beroep van appellante krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten of het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:55
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter. (…)
7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet. (…)
Artikel 8:104
1. Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen:
a. een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de rechtbank,
b. een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de voorzieningenrechter van de rechtbank,
c. een uitspraak van de rechtbank op een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid.
2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen: (…)
c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid,
Artikel 8:119
1. De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.
3. Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.
4. Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug.

Voetnoten

1.Algemene nabestaandenwet.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4821 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2012:BX4821).
4.Zie de uitspraak van de Raad van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:469 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2020:469).