ECLI:NL:CRVB:2026:897

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/1056 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering terecht wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellante was sinds september 2022 ziek gemeld na een arbeidsongeval en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 12 oktober 2023 omdat zij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van haar loon kon verdienen in passende functies. Appellante voerde aan dat zij door haar medische beperkingen niet geschikt was voor deze functies en dat het medisch onderzoek onvolledig was.

De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was appellante niet lichamelijk onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat een anesthesioloog-pijnspecialist haar in april 2023 lichamelijk onderzocht en geen verdere beperkingen vond dan eerder vastgesteld. De MRI toonde geen hernia maar slijtage.

De arbeidsdeskundige stelde dat appellante geschikt is voor functies zoals productiemedewerker industrie, inpakker en assemblagemedewerker, ondanks haar klachten. De Raad volgt dit standpunt en verwerpt het bezwaar dat zij onvoldoende Engels spreekt of dat de functies te belastend zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

25/1056 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2025, 24/8302 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 12 oktober 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat passende functies te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld en de gronden van het hoger beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.B. Beelaard. [naam vriendin] , vriendin van appellante, heeft getolkt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor 33,37 uur per week. Op 12 september 2022 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten na een arbeidsongeval. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 augustus 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de verdiencapaciteit van appellante vastgesteld op 100%. Het Uwv heeft bij besluit van 11 september 2023 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 12 oktober 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 24 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien extra beperkingen aan te nemen en heeft deze beperkingen neergelegd in de FML van 10 juni 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de geselecteerde functies verworpen, geconcludeerd dat de overige geselecteerde functies voor appellante nog steeds geschikt zijn en dus dat zij hiermee nog steeds in staat is meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dat appellante niet fysiek is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft de gegeven toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – dat een lichamelijk onderzoek niet representatief zou zijn voor de datum in geding omdat appellante zich daarna had gemeld met toegenomen rugklachten – plausibel geacht. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Volgens de rechtbank kan uit de beschikbare gegevens niet worden afgeleid dat het Uwv een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante op de datum in geding. Wat appellante daartegen heeft aangevoerd legt, tegenover het gemotiveerde medische oordeel van de verzekeringsartsen onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan aannemelijk te achten dat verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht dat uit de brief van anesthesioloog-pijnspecialist dr. B.G. Köder blijkt dat op 11 april 2023 bij appellante een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat daaruit, behoudens een zeer pijnlijke sacro-iliacaal gewricht, geen andere beperkingen voortvloeien dan eerder zijn vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de MRI-scan van de rug geen wortelcompressie (hernia) blijkt, maar discopathie (slijtage). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijden, zodat deze functies voor appellante geschikt kunnen worden geacht. Ten aanzien van de functie Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) kan de rechtbank de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgen in het standpunt dat het aannemelijk is dat appellante over voldoende (basale) kennis van de Engelse taal beschikt om de opleiding te kunnen volgen en daarmee deze functie te kunnen verrichten. Ten aanzien van de functie Inpakker (SBC-code 111190) begrijpt de rechtbank dat appellante binnen deze functie één minuut of minder achtereenvolgend moet knielen en hurken, waardoor appellante met het uitoefenen van deze functie binnen haar belastbaarheid blijft zoals omschreven onder 5.5 van de FML, te weten minder dan vijf minuten achtereenvolgend geknield of gehurkt actief zijn. Er is daarom geen aanleiding te oordelen dat deze functie niet passend is voor appellante. Ten aanzien van de functie Assemblagemedewerker besturingskaseten en panelen (SBC-code 267071) overweegt de rechtbank dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd heeft toegelicht waarom het persoonlijk risico in deze functie kan worden geaccepteerd. De rechtbank heeft tot slot geen aanleiding gezien een onafhankelijk medische deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geweest omdat appellante niet lichamelijk is onderzocht. Volgens appellante rechtvaardigen een zeer pijnlijk sacro-iliacaal-syndroom en de door de neuroloog vastgestelde hernia verdergaande beperkingen ten aanzien van de duur van het zitten, staan en lopen. Verder stelt appellante dat de functie Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) niet geschikt is voor haar omdat zij niet beschikt over basiskennis Engels en omdat zij niet langdurig in (licht) gebogen houding kan werken. De functie Assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) is evenmin geschikt voor appellante vanwege het persoonlijk risico, te weten het werken met föhn/soldeerbout met verbrandingsgevaar boven de greep grens.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Door het Uwv is navolgbaar gemotiveerd dat en waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afgezien van lichamelijk onderzoek en over voldoende gegevens beschikte om tot een verzekeringsgeneeskundige heroverweging in het kader van de bezwaarprocedure te komen. Daarbij is van belang dat appellante op 11 april 2023 lichamelijk is onderzocht door anesthesioloog-pijnspecialist dr. Köder. Uit dit onderzoek volgt dat bij appellante sprake is van ‘een zeer pijnlijk linker ISG’, leidend tot de conclusie sacro-iliacaal-pijnsyndroom. Deze diagnose is tussen partijen niet in geschil en heeft ook geleid tot het aannemen van beperkingen. Zowel uit de MRI van 2 november 2022 (geen aanwijzing voor wortelcompressie) als uit het onderzoek van dr. Köder blijkt niet dat op dat moment al sprake was van een (beginnende) hernia. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Dat de inschatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen niet juist is geweest, heeft appellante ook in hoger beroep niet met objectief medische gegevens onderbouwd. Omdat geen twijfel bestaat over de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 10 juni 2024 heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellante. Het standpunt van appellante – dat zij de Engelse taal niet beheerst en dat zij daarom niet in staat is tot het volgen van de voor de functie Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) vereiste interne opleiding – volgt de Raad niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van 16 oktober 2024, [2] waarin is ingegaan op het gevraagde niveau van de beheersing van de Engelse taal in de functie van Productiemedewerker industrie (SBCcode 111180), is de Raad van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep H. Steffers in zijn rapport van 21 juni 2024 voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat appellante geschikt wordt geacht deze vakgerichte interne opleiding te volgen: van belang is dat appellante in de jaren ’90 in Oekraïne de middelbare school op mavo/havo niveau heeft gevolgd, terwijl het gaat om een opleiding die het niveau van de basisschool niet overstijgt. Bovendien betreft het in het Engels specifieke vaktermen die al worden aangeleerd op de werkvloer voorafgaand aan de start van de opleiding. Appellante is al een aantal jaren in Nederland, heeft hier gewerkt, haar kinderen gaan hier naar school en zij volgt hier rijlessen. Aangezien zij geen Nederlands spreekt, acht de Raad het niet aannemelijk dat zij enige – basale – communicatie in het Engels niet zou kunnen volgen.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.
2.CRvB 16 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1969.