ECLI:NL:CRVB:2026:901

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
25/1205 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 6:22 AwbArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit ondanks medische beperkingen

Appellant was sinds september 2021 ziekgemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Na een medische en arbeidskundige beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen in passende functies, waarop de ZW-uitkering per 12 augustus 2023 werd beëindigd.

Appellant voerde aan dat hij door medische beperkingen, waaronder rug-, nek- en psychische klachten, niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de schending van de hoorplicht niet tot benadeling had geleid en dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende was.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Er is geen nieuwe medische informatie die het oordeel aantast, de medische beoordeling is zorgvuldig en de arbeidsdeskundige heeft de belastbaarheid van appellant passend beoordeeld. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering blijft in stand omdat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen in passende functies.

Uitspraak

25/1205 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2025, 24/7218 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 12 augustus 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Karacelik, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Voor appellant is mr. Karacelik verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als koerier voor 17,13 uur per week. Op 6 september 2021 heeft hij zich ziekgemeld met diverse gezondheidsklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 11 juli 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 12 augustus 2023 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 12 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, onder veroordeling van het Uwv in de proceskosten en het griffierecht, ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de hoorplicht heeft geschonden maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. Niet aannemelijk is dat appellant hierdoor is benadeeld. De rechtbank heeft verder overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep navolgbaar hebben gemotiveerd dat met de voor appellant geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft daartegen aangevoerd dat de schending van de hoorplicht ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb is gepasseerd. De mogelijkheid van een direct en interactief gesprek met het bestuursorgaan is hem ontnomen. Het onderzoek is daarnaast onzorgvuldig en onvolledig geweest. De taalbarrière heeft volledige beeldvorming belemmerd. Volgens appellant is de verslechtering en uitbreiding van klachten op de datum in geding niet in acht genomen. Met name de psychische klachten, leidend tot ernstige slaapproblemen, zijn onvoldoende meegewogen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de functies niet geschikt zijn omdat rug en armen worden belast terwijl hij kampt met rug- en nekklachten en een beperkte bruikbaarheid van benen en armen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Schending hoorplicht
5.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het gebrek dat is ontstaan door schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb omdat appellant hierdoor niet is benadeeld. Appellant heeft in beroep voldoende gelegenheid gehad om alsnog alles naar voren te brengen wat hij in bezwaar bij de hoorzitting zou hebben willen aanvoeren. Appellant heeft zijn standpunten ter zitting bij de rechtbank nader toegelicht. Hierbij was (de gemachtigde van) het Uwv eveneens aanwezig. Ook als de hoorplicht niet zou zijn geschonden, zou bovendien een besluit met dezelfde uitkomst zijn genomen.
Medische beoordeling
5.3.
Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Onderschreven wordt wat de rechtbank daartoe in rechtsoverweging 5.3 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Wat appellant in de (hoger) beroepsgronden en ter zitting van de Raad aan klachten heeft vermeld, stemt overeen met de klachten die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 11 juli 2024 en 2 oktober 2024 kenbaar in de afweging heeft betrokken. Van belemmering van de beeldvorming door een taalbarrière is niet gebleken. Bij zowel het spreekuur van de verzekeringsarts als het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep was een tolk aanwezig. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt bovendien juist opgemerkt dat het gesprek tussen appellant en de tolk over en weer vlot verliep.
5.4.
Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt ook onderschreven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2024 en 2 oktober 2024 deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van 3 juli 2023 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende toegelicht dat ook met de psychische klachten van appellant in ruime mate rekening is gehouden. Daartoe zijn beperkingen en een uitgebreide set van specifieke voorwaarden voor het functioneren in arbeid in de FML vastgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat de door de huisarts genoemde, uit het intakeverslag van de psycholoog afgeleide diagnoses goed te verenigen zijn met de aangegeven beperkingen en voorwaarden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is ook bekend met de door appellant beschreven slaapproblematiek. Daarnaast zijn ook de nek- en rugklachten onderkend en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende aandacht besteed aan de geclaimde arm- en beenklachten.
5.5.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek dat gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft ingediend om een onafhankelijke deskundige te benoemen, afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
5.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 3 juli 2023 wordt met de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde functies, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellant. Verwezen wordt naar het resultaat functiebeoordeling van de voorbeeldfuncties en de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant in het rapport van 11 november 2024.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) C.C.M. van 't Hol

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.