ECLI:NL:CRVB:2026:915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
25/2294 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 3:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:12 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en begeleiding Wmo 2015

Appellante vroeg bij het college om maatwerkvoorzieningen voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding op grond van de Wmo 2015. Het college wees de aanvraag af omdat de partner van appellante in staat werd geacht de huishoudelijke taken te verrichten en begeleiding bij wandelen als therapeutisch werd beschouwd, waarvoor de Wmo niet bedoeld is.

De rechtbank handhaafde dit besluit, maar appellante stelde dat haar partner niet in staat was het huishouden te doen en dat haar participatieproblemen onvoldoende waren onderzocht. De Raad concludeert dat het college terecht oordeelde dat de partner het huishouden kon doen, maar dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de loopbeperking van appellante haar participatie en zelfredzaamheid beperkt en of begeleiding daarbij passend is.

De Raad vernietigt het besluit voor zover het de weigering van begeleiding betreft, omdat het onderzoek onzorgvuldig was en het besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van begeleiding wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2294 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2025, 24/8482 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 9 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag van appellante voor huishoudelijke hulp en begeleiding bij het wandelen op grond van de Wmo 2015 terecht heeft afgewezen. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de partner van appellante in staat was de huishoudelijke taken te verrichten. Het college heeft echter niet onderzocht of en in hoeverre de mobiliteitsbeperking van appellante leidt tot beperkingen in haar participatie en of met het verstrekken van een maatwerkvoorziening begeleiding een passende bijdrage zou worden geleverd aan het verminderen van eventuele beperkingen. Het bestreden besluit is op dit punt onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad draagt het college op om opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.E. Mussche hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mussche en [naam partner] , de partner van appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Chaudhry.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is bekend met diverse aandoeningen, waaronder progressieve polyneuropathie, artrose en long-covid. Zij heeft daardoor onder andere beperkingen in haar mobiliteit. Op 20 oktober 2023 heeft appellante bij het college een melding gedaan voor maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Op 12 februari 2024 heeft de Wmo-consulent gesproken met appellante en haar partner.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 22 juli 2024, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 september 2024 (bestreden besluit), de aanvraag van appellante voor de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en begeleiding op grond van de Wmo 2015 afgewezen. Het college heeft zich daarbij mede gebaseerd op een rapport van Salude van 23 april 2024 (hierna: Salude-rapport). Het college acht appellante niet in staat tot het verrichten van huishoudelijke taken. Haar partner kan, ondanks zijn beperkingen, wel de huishoudelijke taken uitvoeren. Daarom heeft appellante geen aanspraak op huishoudelijke hulp. De begeleiding die appellante heeft aangevraagd om met haar te wandelen buitenshuis, is geen specialistische zorg. Appellante is door het college gewezen op de organisatie InZet die vaak passende hulp kan bieden en wellicht een wandelmaatje voor haar kan vinden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het Salude-rapport zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Uit dat rapport volgt dat de partner van appellante ondanks zijn beperkingen in staat wordt geacht tot het verrichten van de huishoudelijke taken en dat er geen sprake is van overbelasting of dreigende overbelasting. Het college heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de huishoudelijke hulp die door de partner kan worden verricht onder gebruikelijke hulp valt. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college de aanvraag voor begeleiding bij het buiten wandelen mocht afwijzen, omdat uit het medisch advies niet volgt dat appellante daarbij specialistische individuele begeleiding nodig heeft.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij stelt zich op het standpunt dat haar partner zowel op fysieke als op psychische gronden niet in staat is om zorg te dragen voor het volledige huishouden. Hij is structureel mentaal beperkt belastbaar en deze beperkte belastbaarheid bestond ook al ten tijde in geding. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar onder meer een rapport van 13 januari 2026 van Lechner (hierna: Lechner-rapport). Appellante heeft verder aangevoerd dat het college haar participatieprobleem heeft miskend. Zonder begeleiding is verzoekster niet in staat om veilig buitenshuis te bewegen, haar dagstructuur te behouden of deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.
Het standpunt van het college
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de gegevens die appellante in hoger beroep heeft overgelegd kan niet worden afgeleid dat de partner in de te beoordelen periode niet verdeeld over de week de huishoudelijke taken kon verrichten, of dat er sprake was van dreigende overbelasting. Het college heeft verder uiteengezet dat voor de begeleiding bij het wandelen geen maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Begeleiding bij het bewegen in de vorm van buiten wandelen heeft een therapeutisch karakter en de Wmo is niet bedoeld voor ondersteuning bij therapeutische doeleinden.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over afwijzing aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Huishoudelijke hulp
5.1.
De te beoordelen periode loopt van 15 juli 2024 (de datum van de aanvraag) tot 16 september 2024 (de datum van het bestreden besluit). Niet in geschil is dat appellante als gevolg van haar fysieke beperkingen geen bijdrage kan leveren aan het huishouden. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellante niet in haar stelling dat haar partner niet het volledige huishouden kon doen. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.2.
De Raad ziet in het Lechner-rapport, dat in opdracht van de partner van appellante is opgesteld, geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Uit dat rapport blijkt dat de partner in juli 2024 in staat was het huishouden te doen, zo nodig met ondersteuning van appellante bij de planning en de coördinatie. Verder is in het rapport vermeld dat de psychische klachten van de partner in de loop van 2025 zijn toegenomen, onder andere door de toegenomen werkgerelateerde problemen, en dat het aannemelijk is dat de partner ten tijde van de rapportage (januari 2026) niet in staat was het huishouden te verrichten.
5.3.
De Raad volgt appellante ook niet in haar standpunt dat uit de in hoger beroep overgelegde stukken volgt dat er in de te beoordelen periode sprake was van een dreigende overbelasting van de partner. Dat in het Lechner-rapport vraagtekens worden geplaatst bij de conclusie in het Saluderapport dat er bij de partner geen sprake was van overbelasting of dreigende overbelasting is daarvoor niet voldoende. In het Lechner-rapport wordt geconstateerd dat er bij de partner sprake was van kwetsbaarheid voor overbelasting. Uit het rapport blijkt echter niet dat de partner in de te beoordelen periode overbelast was of dreigde overbelast te raken. Hij werd tot op zekere hoogte in staat geacht om in die periode gebruikelijke hulp en begeleiding aan appellante te bieden. Het rapport vermeldt verder dat hij in die periode in staat was het huishouden te doen. Uit de overige stukken waarnaar appellante heeft verwezen blijkt evenmin dat de partner in de te beoordelen periode overbelast was of dreigde te raken. De conclusie is dat het college zich, mede op basis van het Saluderapport, op het standpunt heeft mogen stellen dat de partner van appellante in de te beoordelen periode in staat was om de huishoudelijke taken te verrichten.
Begeleiding
5.4.
De Raad stelt vast dat het college niet heeft onderzocht of en in hoeverre de loopbeperking van appellante leidt tot beperkingen in haar participatie en eventueel ook haar zelfredzaamheid. Noch in het Salude-rapport noch in het onderzoeksverslag van 11 juli 2024 is dit in kaart gebracht. Daardoor kon het college ook niet vaststellen of met het verstrekken van een maatwerkvoorziening begeleiding een passende bijdrage zou worden geleverd aan het verminderen van eventuele beperkingen in haar participatie en/of zelfredzaamheid. Met het in beroep ingenomen standpunt dat begeleiding bij het wandelen een therapeutisch karakter heeft en dat de Wmo er niet is voor therapeutische doeleinden heeft het college een onjuiste maatstaf aangelegd. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld vloeit uit artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 voort dat niet het al of niet aanwezig zijn van een therapeutische doelstelling, maar de mate waarin een voorziening een passende bijdrage vormt aan de zelfredzaamheid en participatie van de betrokkene bepalend is voor de vraag of een maatwerkvoorziening moet worden verstrekt. [1]
5.5.
Uit 5.4 vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht nu het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag lag onzorgvuldig is geweest en dat besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin de verstrekking van een maatwerkvoorziening begeleiding is geweigerd. De Raad beschikt niet over voldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien en zal het college daarom opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepalen dat beroep tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
Proceskosten
6. De Raad zal het college veroordelen in de proceskosten van appellante, bestaande uit kosten van rechtsbijstand in beroep (2 punten met een waarde per punt van € 934,-) en hoger beroep (2 punten met een waarde per punt van € 934,-). Dit resulteert in een vergoeding van in totaal € 3.736,-. Appellante krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 september 2024 voor zover het college daarin heeft geweigerd een maatwerkvoorziening voor begeleiding te verstrekken;
  • draagt het college op in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:12, eerste lid
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 1.1.1
(…)
- begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.
(…)
- maatschappelijke ondersteuning:
1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,
2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,
3°. bieden van beschermd wonen en opvang;
(…)
- maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;
(…)
- participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
(…)
- zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
Artikel 2.3.5, derde lid
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Voetnoten

1.Uitspraak van 23 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:349.