ECLI:NL:CRVB:2026:918

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
23/2757 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand onrechtmatig wegens niet-bestaande bankafschriften

Appellant ontving bijstand sinds 2016 en werd door het college gevraagd bankafschriften te overleggen over de periode 2016-2021. In beroep bleek dat de gevraagde bankrekening al sinds oktober 2015 was opgeheven, waardoor de gevraagde stukken niet bestonden en niet konden worden verstrekt.

Het college had daarom geen bevoegdheid om de bijstand in te trekken op grond van artikel 54 lid 4 van Pro de Participatiewet, omdat deze bevoegdheid alleen geldt indien het gevorderde bewijsstuk daadwerkelijk bestaat. De Raad oordeelde dat appellant niet kan worden verweten dat hij de bankafschriften niet heeft verstrekt.

De Raad vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand vanaf 15 mei 2021 en liet het recht op bijstand herleven. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het college kan wel nader onderzoek doen naar andere onduidelijkheden omtrent het recht op bijstand.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd omdat de gevraagde bankafschriften niet konden worden verstrekt en het recht op bijstand herleeft vanaf 15 mei 2021.

Uitspraak

23/2757 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2023, 21/8162 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een intrekking van bijstand nadat het recht op bijstand eerder was opgeschort. Aan deze intrekking ligt ten grondslag dat appellant niet de door het college gevraagde bankafschriften over de periode van 10 februari 2016 tot 30 april 2021 heeft verstrekt. In beroep is gebleken dat de betreffende bankrekening al in 2015 was afgesloten, zodat de gevraagde bankafschriften niet bestaan en dus niet konden worden verstrekt. Dit brengt mee dat het college niet bevoegd was tot intrekking. Artikel 54, eerste en vierde lid, van de Participatiewet (PW) geeft immers alleen een bevoegdheid tot opschorting en intrekking van de bijstand in het geval een gevorderd bewijsstuk ook daadwerkelijk bestaat. De Raad voorziet zelf in de zaak en herroept het intrekkingsbesluit.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Dinç, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dinç. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.T. Bui.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 10 februari 2016 bijstand op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een signaal dat appellant mogelijk werkzaamheden verrichtte, zijn toezichthouders van het Team Controle & Handhaving van de gemeente Alphen aan den Rijn een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand.
1.2.
In het kader van dit onderzoek is onder andere met appellant op 29 april 2021 een gesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft appellant, samengevat en voor zover van belang, het volgende verklaard. Hij heeft in 2016 een door een verzekeraar uitgekeerd bedrag op zijn (zakelijke) rekening van de ABN AMRO-Bank gekregen. Er staat geld op die rekening, maar hij kan dat niet gebruiken omdat de rekening al lang is geblokkeerd. Er staat nu misschien nog € 10.000,- op de geblokkeerde rekening. Volgens appellant kan er wel geld op worden gestort, maar kan hij er niets vanaf halen. Hij heeft ook een grote schuld bij de bank. Hij kan eventueel wel oude bankafschriften opzoeken.
1.3.
Aangezien het college niet op de hoogte was van het bestaan van de ABN AMROrekening van appellant heeft een van de toezichthouders appellant met een brief van 30 april 2021 onder andere verzocht om voor 15 mei 2021 bankafschriften van deze bankrekening in te leveren over de periode van 10 februari 2016 tot 30 april 2021. Op 30 april 2021 heeft appellant diverse stukken ingeleverd, maar niet voornoemde bankafschriften. Met een brief van 4 mei 2021 is appellant opnieuw verzocht om de gevraagde bankafschriften voor 15 mei 2021 in te leveren. Op 11 mei 2021 heeft appellant verzocht om meer tijd, waarna hij uitstel heeft gekregen tot 24 mei 2021. Op 26 mei 2021 heeft appellant diverse stukken ingeleverd, maar niet de gevraagde bankafschriften.
1.4.
Met een besluit van 26 mei 2021 (opschortingsbesluit) heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op bijstand met ingang van 15 mei 2021 opgeschort, omdat appellant, voor zover hier relevant, de gevraagde bankafschriften niet heeft ingeleverd. Appellant is tot 2 juni 2021 gegeven om dit gebrek te herstellen. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het opschortingsbesluit. Op 2 juni 2021 heeft appellant diverse bankafschriften van de ABN AMRO-rekening ingeleverd over de jaren 2012 en 2013, maar niet die vanaf 2016. Met een brief van 15 juni 2021 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 22 juni 2021, omdat er bij de toezichthouder twijfel was ontstaan of appellant wel goed begrijpt welke gegevens nodig zijn en omdat er nog steeds geen duidelijkheid was over de ABN AMRO-rekening. Appellant is niet verschenen op dit gesprek.
1.5.
Met een besluit van 8 juli 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 november 2021 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover hier van belang, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand van appellant ingetrokken vanaf 15 mei 2021, omdat hij de gevraagde bankafschriften niet heeft ingeleverd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dat besluit voor wat betreft de intrekking van de bijstand per 15 mei 2021 in stand gelaten. Omdat het college in beroep is teruggekomen van de intrekking van de bijstand over een andere, voor dit geding niet relevante, periode, heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het college het griffierecht moet vergoeden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking van bijstand per 15 mei 2021 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd was om zijn bijstand in te trekken. Volgens appellant kan hem geen verwijt worden gemaakt van het niet inleveren van de gevraagde bankafschriften, omdat sinds de beroepsfase duidelijk is dat de bankrekening was afgesloten vanaf 15 oktober 2015, en dus (ook) in de periode waarover bankafschriften zijn gevraagd. Deze grond slaagt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.1.1.
Op grond van artikel 54, eerste lid, van de PW kan, voor zover van belang, het recht op bijstand worden opgeschort, indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt.
4.1.2.
Op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW kan het recht op bijstand worden ingetrokken, indien de betrokkene het in het eerste lid bedoelde verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn.
4.1.3.
Niet in geschil is dat in beroep is gebleken dat de ABN AMRO-rekening van appellant al sinds 15 oktober 2015 was opgeheven. Die opheffing per 15 oktober 2015 brengt met zich dat appellant de gevraagde bankafschriften over de periode van 10 februari 2016 tot 30 april 2021 niet kon verstrekken omdat deze niet bestonden. Appellant kan dus ook niet worden verweten dat hij de gevraagde bankafschriften niet heeft verstrekt. Nu de gevorderde bewijsstukken als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de PW niet bestonden en het verzuim om deze bewijsstukken alsnog te verstrekken dus ook niet kon worden hersteld, was het college niet bevoegd om de bijstand van appellant op grond van het niet alsnog verstrekken van de gevraagde bankafschriften met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken. Artikel 54, eerste en vierde lid, van de PW geeft immers alleen een bevoegdheid tot opschorting en intrekking in het geval een gevorderd bewijsstuk ook daadwerkelijk bestaat.
4.1.4.
De opvatting van het college dat het bestreden besluit rechtmatig is omdat appellant pas in beroep duidelijkheid heeft verschaft over de ABN AMRO-rekening, kan niet worden gevolgd. Het college moet worden toegegeven dat de onduidelijkheid over de ABN AMROrekening, zoals uit 1.2 tot en met 1.4 volgt, in het leven is geroepen door toedoen van appellant. Dat appellant pas in beroep die duidelijkheid heeft verschaft, laat echter onverlet dat het college, zoals achteraf is gebleken, niet bevoegd was tot intrekking met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. De Raad wijst er in verband met voormelde opvatting van het college nog op dat het in dit geval niet gaat om de situatie dat de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW is ingetrokken en de gevorderde en bestaande bewijsstukken die van belang zijn voor de verlening van bijstand door betrokkene pas in beroep worden verstrekt. In zo’n situatie zou de verstrekking van de gevraagde stukken in beroep niet afdoen aan de rechtmatigheid van de in bezwaar gehandhaafde intrekking.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand vanaf 15 mei 2021 en het besluit van 8 juli 2021 herroepen voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand vanaf 15 mei 2021. Dit betekent dat het recht op bijstand van appellant vanaf 15 mei 2021 herleeft. De Raad wijst hierbij nog op het volgende. Het college heeft aangevoerd dat in de beroepsfase is gebleken dat het bedrag van de verzekeraar op 8 september 2016 is gestort op een Duitse bankrekening, dat appellant ook die bankrekening niet heeft gemeld en dat er nog meer onduidelijkheden zijn die nader onderzoek naar het recht op bijstand van appellant vergen. Het staat het college vrij nader onderzoek daarnaar te verrichten en zo nodig tot nadere besluitvorming te komen. Wat het college heeft aangevoerd, is voor de Raad echter geen reden om niet zelf in de zaak te voorzien.
5. Omdat het hoger beroep slaagt, krijgt appellant een vergoeding voor zijn proceskosten in hoger beroep. Deze proceskosten worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting bij de Raad, met een waarde van € 934,- per punt). Appellant krijgt ook het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 november 2021 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand vanaf 15 mei 2021;
  • herroept het besluit van 8 juli 2021 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand vanaf 15 mei 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 8 november 2021;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 54, eerste en vierde lid
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
[…]
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.