Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
.Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van de gronden.
Centrale Raad van Beroep
Appellant en het UWV sloten op 15 mei 2020 een vaststellingsovereenkomst waarin onder meer uitkeringen werden toegekend en interne verrekening werd geregeld. Appellant deed geen nieuwe herzieningsverzoeken over de periode tot 1 mei 2020, zoals in de overeenkomst was vastgelegd.
Appellant stelde dat het UWV te veel had teruggevorderd en stelde het UWV in gebreke wegens het niet tijdig terugbetalen. Vervolgens stelde appellant beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het geschil onder de vaststellingsovereenkomst viel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen aanvraag tot herziening heeft gedaan en dat de brieven van 12 maart 2024 geen verzoeken tot besluitvorming bevatten. Hierdoor ontbreekt een grondslag voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De Raad bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep, maar verbetert de gronden en komt niet toe aan de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst.
Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een aanvraag.