ECLI:NL:CRVB:2026:921

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
25/1566 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen UWV wegens ontbreken aanvraag

Appellant en het UWV sloten op 15 mei 2020 een vaststellingsovereenkomst waarin onder meer uitkeringen werden toegekend en interne verrekening werd geregeld. Appellant deed geen nieuwe herzieningsverzoeken over de periode tot 1 mei 2020, zoals in de overeenkomst was vastgelegd.

Appellant stelde dat het UWV te veel had teruggevorderd en stelde het UWV in gebreke wegens het niet tijdig terugbetalen. Vervolgens stelde appellant beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het geschil onder de vaststellingsovereenkomst viel.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen aanvraag tot herziening heeft gedaan en dat de brieven van 12 maart 2024 geen verzoeken tot besluitvorming bevatten. Hierdoor ontbreekt een grondslag voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De Raad bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep, maar verbetert de gronden en komt niet toe aan de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst.

Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een aanvraag.

Uitspraak

25/1566 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2025, 24/3592 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt dat appellant geen aanvraag tot herziening heeft gedaan en er dus geen beroep kon worden ingesteld tegen het niet tijdig daarop beslissen. De rechtbank heeft appellant daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard, zij het op onjuiste gronden.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1
Op 15 mei 2020 hebben appellant en het Uwv een vaststellingsovereenkomst gesloten ter finale beslechting van een aantal lopende zaken van appellant bij of tegen het Uwv. Hierin is onder meer vastgelegd dat aan appellant per 3 februari 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wordt toegekend en per 3 november 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. In de vaststellingsovereenkomst is ook bepaald dat de eerder aan appellant toegekende uitkeringen over dezelfde periode zullen worden ingetrokken of gewijzigd en dat er interne verrekening zal plaatsvinden met deze eerder over dezelfde periode toegekende uitkeringen.
1.2.
In de vaststellingsovereenkomst is verder vastgelegd dat appellant toezegt geen bezwaar of beroep aan te tekenen tegen de beslissingen die voortvloeien uit deze vaststellingsovereenkomst en/of over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst.
1.3.
In aanvullende afspraken in de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat er sprake is van finale kwijting. De finale kwijting ziet op de periode tot en met 1 mei 2020. Ook is bepaald dat appellant geen nieuwe herzieningsverzoeken, aanvragen of overige verzoeken meer indient die zien op de periode voor 1 mei 2020. Als het Uwv wel dergelijke aanvragen of verzoeken ontvangt, dan worden deze niet in behandeling genomen onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst.
1.4.
Bij besluiten van 29 mei 2020 is aan appellant met ingang van 3 februari 2014 tot en met 2 november 2014 een ZW-uitkering toegekend. Bij beslissing op het bezwaar van eveneens 29 mei 2020 is aan appellant per 3 november 2014 een WIA-uitkering toegekend. Hierbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%.
1.5.
Uit de betaalspecificaties van 9 juni 2020 en 11 augustus 2020 blijkt op welke manier het Uwv de aan appellant toegekende WIA-uitkering met de eerder aan hem toegekende uitkeringen over dezelfde periode heeft verrekend.
1.6.
Bij besluit van 28 mei 2021 heeft het Uwv aan appellant per 4 februari 2020 een IVA-uitkering toegekend.
1.7.
Bij brieven van 12 maart 2024, ter voorbereiding op een gesprek met de afdeling bezwaar van het Uwv Groningen op 19 maart 2024, heeft appellant aan het Uwv stukken toegestuurd. Daarbij heeft appellant gemeld dat er volgens hem te veel ZW-, WW- en WIAuitkering is teruggevorderd door middel van verrekening.
1.8.
Bij brief van 27 maart 2024 heeft appellant het Uwv in gebreke gesteld wegens het niet tijdig terugbetalen van hetgeen het Uwv te veel heeft teruggevorderd. Bij brief van 12 mei 2024 heeft appellant het Uwv in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek tot betaling aan de hand van de herzieningsverzoeken verrekenbesluiten.
1.9.
Bij brief van 24 juni 2024 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat het geschil onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst valt, omdat hierin is vastgelegd dat interne verrekening zal plaatsvinden met de eerder toegekende uitkeringen over dezelfde periode. Het Uwv heeft hieraan invulling gegeven op de wijze zoals blijkt uit de betaalspecificaties van 9 juni 2020 en 11 augustus 2020. Deze invulling, waarmee appellant het gelet op zijn brieven van 12 maart 2024 niet eens is, vloeit dus voort uit de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast is van belang dat in de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat appellant geen nieuwe herzieningsverzoeken zal indienen die zien op de periode tot 1 mei 2020 en dat als appellant dit wel doet, het herzieningsverzoek niet in behandeling zal worden genomen. De interne verrekening van de later aan appellant toegekende uitkeringen met de eerder aan hem toegekende uitkeringen, zoals volgt uit de betaalspecificaties van 9 juni 2020 en 11 augustus 2020, ziet op periodes die zijn gelegen voor 1 mei 2020. Dit betekent dat de vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van het beroep van appellant. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat als appellant de rechtmatigheid van of de gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomst wil aanvechten, hij zich zal moeten wenden tot de burgerlijke rechter.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is overeengekomen en hem daarom niet bindt. De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst, terwijl de rechtbank hiertoe gehouden is, omdat de overeenkomst directe rechtsgevolgen heeft in de publiekrechtelijke sfeer én gemotiveerd wordt betwist. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het ingediende verzoek om herziening onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst valt.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

Het oordeel van de Raad

4. In de brieven van 12 maart 2024 aan de afdeling bezwaar van het Uwv Groningen heeft appellant stukken meegestuurd ter voorbereiding op het gesprek op 19 maart en heeft appellant toegelicht waarom er volgens hem te veel ZW-, WW [1] - en WIA-uitkering is teruggevorderd door middel van verrekening. Gelet op de inhoud van de brieven van 12 maart 2024, worden deze brieven niet aangemerkt als verzoeken van appellant aan het Uwv om een besluit te nemen. Uit de brieven blijkt alleen dat appellant stukken aan het Uwv heeft gestuurd ter voorbereiding op een hoorzitting op 19 maart 2024 in een andere zaak van appellant. In de brieven van 12 maart 2024 is geen aanvraag van appellant neergelegd om een besluit te nemen. In de procedure die in de onderhavige zaak is gestart met een beroep tegen het niet tijdig beslissen van het Uwv, ontbreekt daarom een aan dit beroep ten grondslag liggende aanvraag. Dit betekent dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Uwv. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar op onjuiste gronden. Daarom zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen met verbetering van de gronden. Aan een beoordeling van de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst komt de Raad daarom niet toe.

Conclusie en gevolgen

5
.Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van de gronden.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.Werkloosheidswet.