ECLI:NL:CRVB:2026:928

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
24/606 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:69 AwbArt. 24 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling of uitkeringsspecificatie een besluit is in de zin van de Awb

Appellanten ontvingen sinds mei 2021 bijstand op grond van de Participatiewet, gebaseerd op een toekenningsbesluit van juni 2021. Zij maakten bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van november 2022, maar het dagelijks bestuur verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar verklaarde het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie niet-ontvankelijk omdat deze specificatie geen besluit in de zin van de Awb is.

Appellanten stelden dat de rechtbank onterecht artikel 1:3 Awb Pro ambtshalve had betrokken en dat zij rechtsbescherming moesten krijgen tegen de wijze van berekening en uitbetaling van de bijstand. De Raad oordeelde dat het besluitbegrip van artikel 1:3 Awb Pro van openbare orde is en dat de rechtbank dit terecht ambtshalve heeft betrokken. De uitkeringsspecificatie is een herhaling van eerdere besluiten zonder nieuwe rechtsgevolgen en kan daarom niet als besluit worden aangemerkt.

De Raad verwierp ook het betoog dat de specificatie een afwijzing van een verzoek om vaststelling van het recht op bijstand zou inhouden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie in stand blijft. Appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De uitkeringsspecificatie van november 2022 is geen besluit in de zin van de Awb, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

24/606 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2024, 23/3374 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het dagelijks bestuur van Avres (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 2 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vragen of de rechtbank artikel 8:69, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden en of de uitkeringsspecificatie van de maand november 2022 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad komt tot het oordeel dat dat niet het geval is en dat de rechtbank terecht – ambtshalve beoordelend – het bezwaar tegen die uitkeringsspecificatie alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Appellanten hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] en [naam] . Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.H. Hartwijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 1 mei 2021 in aanvulling op de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Hiertoe had het dagelijks bestuur beslist met een besluit van 2 juni 2021 (toekenningsbesluit).
1.2.
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van november 2022. Het dagelijks bestuur heeft dit bezwaar met een besluit van 24 april 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, zelf in de zaak voorzien en de bezwaren van appellanten tegen de uitkeringsspecificatie van november 2022 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of de uitkeringsspecificatie een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb en geoordeeld dat dit niet het geval is. Het dagelijks bestuur had volgens de rechtbank het bezwaar van appellanten dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank voor zover het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk is verklaard. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van november 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid van de Awb buiten de omvang van het geding getreden?
4.1.
Appellanten voeren aan dat de rechtbank artikel 8:69, eerste lid van de Awb heeft geschonden door artikel 1:3, eerste lid van de Awb ambtshalve bij de beoordeling te betrekken, terwijl het dagelijks bestuur de bezwaren ontvankelijk maar ongegrond heeft verklaard. Appellanten hebben daarbij gewezen op de uitspraak van 9 juli 2021 [1] over de (niet) ambtshalve beoordeling van de tijdigheid van een bezwaar- en beroepschrift. Zij vinden dat deze rechtspraak ook in deze zaak toepasbaar is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.2.
Een bepaling is van openbare orde indien de ratio van die wettelijke bepaling vergt dat een schending daarvan met het oog op het algemeen belang, ongeacht of een of meer partijen zich op die schending hebben beroepen, niet zonder gevolgen behoort te blijven. Met de uitspraak van 9 juli 2021 is de tijdigheid van een rechtsmiddel in een voorafgaande fase van bezwaar of beroep niet langer van openbare orde geacht. De wettelijke bezwaar- en beroepstermijnen in het bestuursrecht dienen namelijk het belang van de rechtszekerheid van de bij het besluit betrokkenen (bestuursorgaan, de belanghebbende tot wie het besluit is gericht en eventuele belanghebbende derden).
4.1.3.
Met het besluitbegrip van artikel 1:3, eerste van de Awb daarentegen, is dat geheel anders. Artikel 1:3 Awb Pro bevat een aantal omschrijvingen van kernbegrippen die deze wet beoogt te regelen, waaronder het besluitbegrip. Gelet op artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb is het besluitbegrip uitgangspunt voor de bevoegdheid van de bestuursrechter en daarmee de toepasselijkheid van de Awb. Hier gaat het dus om een fundamentele bepaling. Daarmee is evident dat de bepaling over het besluitbegrip van openbare orde is. Voor een analoge toepassing van de onder 4.1 vermelde uitspraak bestaat daarom geen grond. Dit betekent dat de rechtbank terecht artikel 1:3, eerste lid van de Awb van openbare orde heeft geacht en ambtshalve bij de beoordeling van het beroep heeft betrokken.
Is terecht geoordeeld dat de uitkeringsspecificatie van november 2022 geen besluit is in de zin van art. 1:3 Awb Pro?
4.2.
Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat staat in artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
4.2.2.
De rechtbank heeft gewezen op vaste rechtspraak [2] dat aan elke (meestal maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt.
4.2.3.
Dat laatste is, evenals de rechtbank heeft geoordeeld, hier het geval. Vaststaat dat de wijze van berekening en uitbetaling van bijstand over november 2022 niet is gewijzigd ten opzichte van de maanden daarvoor. In de bestreden uitkeringsspecificatie komen geen nieuwe elementen tot uiting ten opzichte van de voorgaande. Deze uitkeringsspecificatie is in zoverre een herhaling van besluiten die waren vervat in die eerdere uitkeringsspecificaties. En niet in geschil is dat deze specificaties in overeenstemming waren met het toekenningsbesluit van 2 juni 2021. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet al door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.2.4.
Appellanten hebben wederom aangevoerd dat zij rechtsbescherming moeten hebben tegen de wijze van berekenen en uitbetalen van de bijstand en dat zij informatie over netto en brutobedragen nodig hebben voor andere procedures. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat wat appellanten aanvoeren niet maakt dat de uitkeringsspecificatie van november 2022 toch gericht is op rechtsgevolg en/of een beroepbaar besluit is.
4.2.5.
Appellanten hebben ter zitting nog betoogd dat met de bestreden uitkeringsspecificatie het verzoek van appellanten om vaststelling van het recht op bijstand met toepassing van artikel 24 van Pro de PW is afgewezen. Dit betoog kan niet tot een andere uitkomst leiden. Een dergelijke beslissing blijkt niet uit de uitkeringsspecificatie en zo’n afwijzing blijkt ook niet uit de overige gedingstukken. Uit het dossier blijkt alleen dat appellante in november 2022 met de consulent inkomen contact heeft gehad over een compensatie voor gemiste toeslagen en dat vervolgens namens appellanten met de consulent inkomen informatie is uitgewisseld over de uitvoering van de PW en de (wijze van) betaling van de bijstand. Verder had het dagelijks bestuur, anders dan appellanten stellen, het bezwaarschrift, gezien de aard en inhoud daarvan, niet hoeven op te vatten als een aanvraag om een besluit te nemen.
4.3.
Gelet op vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van november 2022 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1235, van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313 en van 3 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3831.