ECLI:NL:CRVB:2026:960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als schoonmaakster
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekte door een verkeersongeval, maar het UWV stelde dat zij slechts 20% arbeidsongeschikt is en geschikt voor haar eigen werk als schoonmaakster. Na een herbeoordeling en bezwaar verklaarde het UWV de uitkeringsaanvraag ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep van appellante af.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische beperkingen, met name duizeligheidsklachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat is haar werk te verrichten. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde echter dat de medische beoordeling van het UWV juist en voldoende gemotiveerd was, waarbij rekening was gehouden met de beperkingen en dat er geen objectieve gegevens waren die een andere conclusie rechtvaardigden.
Ook de arbeidskundige beoordeling dat de belasting van het werk de medische belastbaarheid niet overschrijdt, werd door de Raad onderschreven. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 juli 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.