ECLI:NL:CRVB:2026:960

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
25/1201 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als schoonmaakster

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekte door een verkeersongeval, maar het UWV stelde dat zij slechts 20% arbeidsongeschikt is en geschikt voor haar eigen werk als schoonmaakster. Na een herbeoordeling en bezwaar verklaarde het UWV de uitkeringsaanvraag ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep van appellante af.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische beperkingen, met name duizeligheidsklachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat is haar werk te verrichten. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde echter dat de medische beoordeling van het UWV juist en voldoende gemotiveerd was, waarbij rekening was gehouden met de beperkingen en dat er geen objectieve gegevens waren die een andere conclusie rechtvaardigden.

Ook de arbeidskundige beoordeling dat de belasting van het werk de medische belastbaarheid niet overschrijdt, werd door de Raad onderschreven. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 juli 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1201 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2025, 23/7532 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 30 september 2021 geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat zij geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaakster. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij haar werk niet verrichten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juni 2026. Appellante is verschenen, vergezeld door haar zoon en bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor gemiddeld 12,41 uur per week. Op 3 oktober 2019 heeft zij zich ziekgemeld met klachten als gevolg van een verkeersongeval. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Hierbij is naar voren gekomen dat appellante was hervat in haar volledige aantal contracturen tegen een loonwaarde van 80%. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarom vastgesteld op 20%. Het Uwv heeft bij besluit van 28 juli 2021 geweigerd appellante met ingang van 30 september 2021 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Op 8 december 2021 heeft appellante aan het Uwv doorgegeven dat haar medische situatie sinds 15 september 2021 is verslechterd. Daarnaast heeft de (ex)werkgever van appellante met een brief van 9 december 2021 verzocht om een herbeoordeling, omdat appellante op 16 september 2021 opnieuw volledig is uitgevallen voor haar werk als schoonmaakster. Naar aanleiding van deze meldingen heeft onderzoek plaatsgevonden door een primaire arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 juni 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaakster. Het Uwv heeft bij besluit van 28 juni 2022 geweigerd appellante met ingang van 15 september 2021 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij niet arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 3 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 19 september 2023 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd geen reden geeft om de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat het door appellante ingediende rapport van medisch adviesbureau Triage van 25 oktober 2022 geen reden kan vormen om af te wijken van de beperkingen die zijn vastgelegd in de FML van 19 september 2023. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het rapport van Triage geen beoordeling bevat van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA, maar is opgesteld in het kader van een letselschadezaak. In het rapport wordt geadviseerd het resultaat van de psychologische behandeling af te wachten en zijn de beschikbare medische gegevens samengevat, waaronder het oordeel van de bedrijfsarts in het kader van de reintegratie. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad [1] kan er niet aan voorbij worden gegaan dat een oordeel van een bedrijfsarts ziet op de reintegratiemogelijkheden en dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Appellante heeft niet met medische gegevens aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van haar gezondheidstoestand op de datum in geding. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om die conclusie te trekken. Verder is de rechtbank van oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in haar eigen werk de vastgestelde medische belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft er in hoger beroep opnieuw op gewezen dat in het inzetbaarheidsprofiel dat op 12 november 2021 is opgesteld door de bedrijfsarts meer beperkingen zijn vastgesteld dan in de FML van het Uwv. Met name met de duizeligheidsklachten heeft het Uwv volgens appellante onvoldoende rekening gehouden. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat zij tijdens het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gezegd dat retroflexie van de nek verder dan 10 graden niet mogelijk is, omdat dan duizeligheid ontstaat. Zij is eerder bij een onderzoek naar de duizeligheidsklachten ook hard gevallen. Appellante is van mening dat vanwege de duizeligheidsklachten beperkingen hadden moeten worden aangenomen ten aanzien van het maken van hoofdbewegingen en boven schouderhoogte actief zijn. Deze beperkingen maken dat zij niet in staat is om het werk als schoonmaakster te verrichten. Omdat de belastbaarheid van appellante door verschillende artsen anders is beoordeeld, heeft zij de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv te kennen gegeven dat de eerder genoemde datum 15 september 2021 niet juist is en deze bedoeld is om een WIAuitkering te weigeren per 30 september 2021, zijnde de datum waarop appellante het einde van de wachttijd heeft bereikt. Dit is tussen partijen niet in geschil en de Raad zal dan ook uitgaan van 30 september 2021 als datum in geding.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Uit de door de rechtbank genoemde vaste rechtspraak van de Raad blijkt niet alleen dat een beoordeling door een bedrijfsarts een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA, maar ook dat een verzekeringsarts bij het in kaart brengen van de beperkingen in de FML niet is gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Uit het rapport van de primaire arts van 16 juni 2022 blijkt dat rekening is gehouden met de duizeligheidsklachten door in de FML op te nemen dat appellante niet op hoogten kan werken en niet veelvuldig diep voorover kan buigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 september 2023 inzichtelijk toegelicht waarom er geen aanleiding is om vanwege deze klachten verdergaande beperkingen aan te nemen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat geen sprake is van onderliggende pathologie die de door appellante omschreven klachten bij onder andere het maken van hoofdbewegingen kan verklaren. Hoewel eerder de diagnose contusio labyrinthi is gesteld, kunnen de duizeligheidsklachten per datum in geding hierdoor niet verklaard worden. Door de KNOarts heeft uitgebreid onderzoek plaatsgevonden rond de datum in geding en deze arts spreekt in een brief van 18 oktober 2021 over duizeligheidsklachten e.c.i. [2] Dat betekent dat sprake is van duizeligheidsklachten zonder dat hiervoor een oorzaak is gevonden. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen objectieve gegevens naar voren gekomen op basis waarvan de beperkingen die vanwege de duizeligheidsklachten zijn aangenomen onvoldoende zouden zijn. De Raad ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen reden om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.
5.3.
Omdat geen twijfel bestaat aan de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in haar eigen werk de vastgestelde medische belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIAuitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2025.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.Waaronder de uitspraken van de Raad van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039 en 27 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2949.
2.E causa ignota.