ECLI:NL:CRVB:2026:961

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
25/1330 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 41,72% per 8 september 2022

Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek een arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,72% vast per 8 september 2022 en kende haar een WGA-uitkering toe. Appellante betwistte deze vaststelling en voerde aan dat zij meer beperkingen heeft dan aangenomen, waardoor de geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had toegelicht dat de geselecteerde functies geen verhoogd persoonlijk risico voor appellante opleveren. De Raad onderschreef dit oordeel en wees het hoger beroep af.

Appellante verwees naar een latere toekenning van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering per 8 september 2024, maar de Raad concludeerde dat deze latere situatie geen aanleiding geeft om de beoordeling per 8 september 2022 te herzien. De uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 september 2022 terecht is vastgesteld op 41,72%.

Uitspraak

25/1330 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025, 24/4224 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 september 2022 heeft vastgesteld op 41,72%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juni 2026. Voor appellante is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor 38,29 uur per week. Op 10 september 2020 heeft zij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 41,72%. Het Uwv heeft bij besluit van 16 mei 2023 aan appellante met ingang van 8 september 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 12 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellante, de ondergane behandelingen, de medicatie, informatie van Antes van 9 februari 2024 en de gegevens van appellantes huisarts, waarbij informatie van de behandelend specialisten was gevoegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 februari 2024 nader toegelicht dat appellante geen nek- en rughernia met botontkalking heeft en dat uit de medische informatie en het lichamelijk onderzoek is gebleken dat slechts sprake is van lichte degeneratieve afwijkingen aan de nek- en borstwervels en lichte tot matige afwijkingen aan de lage rug, zonder aanwijzingen voor botontkalking of zenuwbeknelling vanuit de wervelkolom. Er is geen reden om appellante te volgen in haar standpunt dat er ook beperkingen gesteld moeten worden voor het maken van hoofdbewegingen of het hoofd in een bepaalde stand houden, of dat de beperkingen voor frequent buigen en reiken niet voldoende zijn. Uit het voorgaande volgt dat de FML van 8 mei 2023 juist is. De gedingstukken bieden onvoldoende aanknopingspunten om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, zodat de functies geschikt worden geacht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 maart 2024 toegelicht dat bij de functie van textielproductenmaker (SBC-code 111160) geen sprake is van verhoogd persoonlijk risico. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2020. [1] Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht dat dit risico van belang is bij ziektebeelden waarbij specifiek het prikken of het ontstaan van wondjes bezwaarlijk is, maar dat dit niet betekent dat een naaimachine moet worden beschouwd als een gevaarlijke machine. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat gebruik van een naaimachine verantwoord is en het geen risico geeft op ernstig letsel. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 7 maart 2024 voldoende inzichtelijk heeft toegelicht dat bij de geselecteerde functies geen sprake is van overschrijdingen ten aanzien van staan en lopen, boven schouderhoogte werken, buigen en reiken, zoals deze voor appellante zijn vastgesteld in de FML van 8 mei 2023. Vergelijking van het inkomen dat appellante in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij verdiende voordat zij ziek werd, geeft een mate van arbeidsongeschiktheid van 41,72%.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante zijn door het Uwv onvoldoende beperkingen aangenomen. Haar nekklachten hadden in haar visie moeten leiden tot beperkingen voor het maken van hoofdbewegingen en het hoofd in een bepaalde stand houden en er hadden ook beperkingen moeten worden aangenomen voor de reikafstand en de buigafstand. De functie van textielproductenmaker (SBC-code 111160) was volgens haar niet geschikt in verband met het risico op letsel bij het gebruik van een naaimachine en de functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) waren volgens haar ook niet geschikt in verband met respectievelijk werkzaamheden boven schouderhoogte en staan en lopen. Appellante heeft er ter onderbouwing van haar standpunt op gewezen dat zij met ingang van 8 september 2024 in aanmerking is gebracht voor een WGA-vervolguitkering naar volledige arbeidsongeschiktheid.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2026, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 september 2022 van 41,72% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft dan ook zowel het oordeel van de rechtbank als de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
5.2.
Naar aanleiding van wat appellante heeft aangevoerd over de vervolguitkering naar volledige arbeidsongeschiktheid die met ingang van 8 september 2024 aan haar is toegekend wordt daaraan het volgende toegevoegd.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 mei 2026 uiteengezet dat de latere beoordeling geen aanleiding vormt om het standpunt per 8 september 2022 te herzien. De Raad leidt uit dit rapport af dat appellante in augustus 2023 – dus bijna een jaar na de datum in geding in deze zaak – een trauma heeft doorgemaakt, waardoor haar depressieve klachten sterk zijn toegenomen en ernstige slaapproblemen met herbelevingen zijn opgetreden, op basis waarvan PTSS werd gediagnosticeerd. Bij een herbeoordeling in 2024 bleek haar herstel gestagneerd. De Raad ziet met het Uwv geen reden om hieraan consequenties te bevinden voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 41,72% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 1 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2352.