ECLI:NL:CRVB:2026:962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen binnen vijf jaar
Appellante had een WIA-uitkering die per 30 januari 2017 werd beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Zij meldde zich in maart 2021 met toegenomen klachten vanaf maart 2020 na een val. Het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van de eerdere uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hielden met haar Ehlers Danlos syndroom en dat haar belastbaarheid onjuist was ingeschat. De Raad benoemde twee onafhankelijke deskundigen, een reumatoloog en een verzekeringsarts, die uitgebreid onderzoek deden en concludeerden dat er geen medische grond was voor een toename van beperkingen per datum in geding.
De Raad oordeelde dat de deskundigenrapporten zorgvuldig, inzichtelijk en consistent waren en dat de bevindingen van de deskundigen gevolgd moesten worden. De arbeidsdeskundige selecteerde geschikte functies voor appellante. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar.