ECLI:NL:CRVB:2026:962

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
22/3314 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57, eerste lid, onderdeel b, van de Wet WIAArt. 56 van de Wet WIAArt. 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtArt. 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen binnen vijf jaar

Appellante had een WIA-uitkering die per 30 januari 2017 werd beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Zij meldde zich in maart 2021 met toegenomen klachten vanaf maart 2020 na een val. Het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van de eerdere uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hielden met haar Ehlers Danlos syndroom en dat haar belastbaarheid onjuist was ingeschat. De Raad benoemde twee onafhankelijke deskundigen, een reumatoloog en een verzekeringsarts, die uitgebreid onderzoek deden en concludeerden dat er geen medische grond was voor een toename van beperkingen per datum in geding.

De Raad oordeelde dat de deskundigenrapporten zorgvuldig, inzichtelijk en consistent waren en dat de bevindingen van de deskundigen gevolgd moesten worden. De arbeidsdeskundige selecteerde geschikte functies voor appellante. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar.

Uitspraak

22/3314 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2022, 21/6150 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat met ingang van 6 maart 2020 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 30 januari 2017, in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 november 2023. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot en [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C van Beek.
Na afloop van de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en prof. dr. J.M. van Laar, reumatoloog, benoemd als onafhankelijk deskundige. Van Laar heeft op 2 januari 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op dit rapport ingediend.
Vervolgens heeft de Raad verzekeringsarts drs. M. Vervoort benoemd als onafhankelijk deskundige. Vervoort heeft op 24 september 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op dit rapport ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de behandeling van de zaak voortgezet op een zitting van 2 juni 2026. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker bediening voor 29,71 uur per week. Op 12 maart 2012 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten in verband met zwangerschap. Bij besluit van 28 april 2014 heeft het Uwv appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 30 juni 2014 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Per 11 december 2014 is de uitkering gewijzigd naar een WGAloonaanvullingsuitkering. Daarbij is de uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De WIA-uitkering is per 30 januari 2017 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Appellante heeft zich op 27 maart 2021 bij het Uwv gemeld met toegenomen lichamelijke klachten met ingang van 6 maart 2020, na een val op haar stuitje. Na onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2021 geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellante (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 30 januari 2017.
1.3.
Bij besluit van 1 november 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met ingang van 6 maart 2020 terecht geen WIA-uitkering aan appellante heeft toegekend. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en dat er geen reden is om de daaruit getrokken conclusies voor onjuist te houden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende kennis hebben van het Ehlers Danlos syndroom en hiermee onvoldoende rekening hebben gehouden. Haar behandelend reumatoloog heeft in het bijzonder kennis van dit syndroom en zij volgt de adviezen van deze reumatoloog en die van haar huisarts strikt op. De aangenomen belastbaarheid sluit hier niet bij aan. Appellante heeft de Raad daarom verzocht om een onafhankelijk medisch onderzoek te laten verrichten waarbij contact wordt opgenomen met haar behandelend arts. Omdat haar belastbaarheid onjuist is ingeschat, zijn de geselecteerde functies voor haar niet geschikt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIAuitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGAuitkering.
Medische beoordeling
5.2.
Omdat er bij de Raad twijfel is ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling van de lichamelijke klachten van appellante, heeft de Raad reumatoloog Van Laar als deskundige benoemd. Van Laar heeft vastgesteld dat appellante in de jaren voorafgaand aan de datum in geding in een negatieve spiraal beland is waarbij ze in 2020 op alle vragen – op één na – uit de Uwv vragenlijst antwoordde dat ze achteruit was gegaan na een periode van bedrust na de val op haar stuitje. De hierop volgende gewichtstoename heeft bijgedragen aan de progressieve pijnklachten van het bewegingsapparaat door de al aanwezige gegeneraliseerde hypermobiliteit en fibromyalgie/chronisch pijnsyndroom en deconditionering heeft een rol gespeeld in de zelf gerapporteerde afname van functionele capaciteiten tussen 2017 en 2020. Dat appellante in 2020 ten opzichte van 2017 op vrijwel alle domeinen subjectief toename van klachten en beperkingen heeft ervaren, is volgens Van Laar niet te verklaren door progressie van haar hypermobiliteitssyndroom in sensu strictu, wat namelijk constitutioneel is en vaak al vanaf de jeugd leidt tot klachten en beperkingen, zoals de ziektegeschiedenis van appellante illustreert. Uit het dossieronderzoek blijkt ook dat appellante al zeker sinds 2014 veel klachten en functionele beperkingen heeft en ook in 2017 al evidente gegeneraliseerde gewrichtshypermobiliteit en hyperlaxiteit had. Van Laar heeft geconcludeerd dat appellante op 6 maart 2020 leed aan een hypermobiliteitssyndroom met een chronisch pijnsyndroom en overgewicht, resulterend in verminderde fysieke belastbaarheid en een verstoorde energiebalans waardoor haar dagelijkse activiteiten toen en nu op een zeer veel lager peil lagen dan van gezonde leeftijdgenoten. Van Laar heeft zich als reumatoloog onvoldoende bekwaam geacht om de inschatting van een verzekeringsarts op het gebied van de FML te beoordelen, laat staan in twijfel te brengen. Desondanks heeft hij zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat ernst en uitbreiding van haar hypermobiliteitssyndroom onderschat zijn. Dit heeft Van Laar opgemaakt uit het feit dat lichamelijk onderzoek hiernaar ofwel niet of niet lege artis is uitgevoerd. Van Laar heeft gesteld dat hij kan meegaan met de redenering dat appellante iets aan arbeid kon doen, maar ziet als reumatoloog niet voor zich hoe appellante indertijd met haar ernstig hypermobiliteitssyndroom, overgewicht en forse deconditionering in staat zou moeten zijn voltijds aan het arbeidsproces deel te nemen. Van Laar heeft toegelicht geen uitspraak te durven doen over een specifieke urenbeperking, omdat hij daarin als reumatoloog niet competent is.
5.3.
Omdat deskundige Van Laar geen uitspraak heeft gedaan over een specifieke urenbeperking of andere beperkingen, heeft de Raad zich aanvullend laten adviseren door een onafhankelijke verzekeringsarts. Vervoort heeft een aantal aspecten op basis van het rapport van Van Laar aanvullend beoordeeld en heeft geconcludeerd dat in de FML al vergaande beperkingen op dynamische en statische handelingen zijn opgenomen. Aanvullend is volgens Vervoort een beperking voor schroefbewegingen gerechtvaardigd vanwege regelmatige luxatie van de rechterschouder. Vervoort heeft toegelicht dat onderscheid moet worden gemaakt tussen beperkingen die direct voortkomen uit het ziektebeeld en die veroorzaakt worden door inactiviteit. Vervoort heeft toegelicht dat de val in maart 2020 kan hebben geleid tot een tijdelijke toename van klachten bij appellante, passend bij een kneuzing of wekedelenletsel. Van Laar heeft vastgesteld dat er geen toename in ernst van het hypermobiliteitssyndroom is, maar dat de latere beperkingen vooral het gevolg zijn van deconditionering die is opgetreden na de val. Een dergelijk proces ontstaat volgens Vervoort pas na langere tijd van inactiviteit en kan dus niet per datum in geding worden verondersteld. De toegenomen ervaren beperkingen berusten daarmee op deconditionering die pas maanden later tot uiting is gekomen en niet op een medisch objectiveerbare verslechtering van het onderliggende ziektebeeld. Dit betekent volgens Vervoort dat er per datum in geding geen medische grond bestaat om een urenbeperking toe te kennen.
5.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperking op schroefbewegingen met rechterhand en arm overgenomen.
5.5.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen. [1] Deze situatie doet zich hier voor. De deskundigenrapporten geven blijk van een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek, zijn inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komen overtuigend voor. Beide deskundigen hebben appellante gesproken, dossieronderzoek verricht, kennisgenomen van alle beschikbare medische informatie van de behandelaars van appellante en dit alles bij haar beoordeling betrokken.
5.6.
Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om de bevindingen van de deskundigen niet te volgen. Van Laar heeft in zijn rapport toegelicht dat hij zichzelf als reumatoloog voldoende bekwaam en ervaren acht met het hypermobiliteitssyndroom om zelfstandig tot een oordeel te komen, onafhankelijk van het oordeel van collega’s. Om die reden heeft hij geen aanleiding gezien om contact op te nemen met de behandelend reumatoloog en de huisarts. Deze toelichting wordt voldoende geacht. Er is ook geen aanleiding om appellante te volgen in haar stelling dat het door Van Laar verrichte lichamelijk onderzoek onvoldoende is geweest. Gelet op de onder 5.3 weergegeven toelichting door Vervoort, wordt appellante verder niet gevolgd in haar stelling dat Vervoort de achteruitgang die heeft geleid tot de val in maart 2020 en de gevolgen van die val niet heeft meegewogen.
Arbeidskundige beoordeling
5.7.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 19 januari 2026 aanvullend gerapporteerd en heeft nieuwe functies geselecteerd. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Omdat pas in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing is gegeven, is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat aannemelijk is dat appellante door de aanvulling van de motivering niet is benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb de schending van artikel 7:12 van Pro die wet worden gepasseerd. Ook als dit gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met dezelfde uitkomst zijn genomen.
6. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Wel moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.J.D. van Haren

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 14 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3654.