ECLI:NL:CRVB:2026:963

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
18/3759 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-zaken

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen besluiten van het UWV inzake WIA-uitkeringen. Na uitgebreid onderzoek met meerdere onafhankelijke deskundigen en diverse zittingen heeft het UWV een tegemoetkomend besluit genomen, waarna appellant het hoger beroep introk en vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vorderde.

De Raad beoordeelde dat de redelijke termijn in de procedure aanzienlijk was overschreden, met name in de rechterlijke fase, en kende een schadevergoeding toe van € 5.000,- voor zaak 18/3759 WIA en € 1.500,- voor zaak 22/3846 WIA, waarbij de vergoeding werd verdeeld tussen de Staat en het UWV. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 13.614,53 en wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

De Raad oordeelde dat de complexiteit van de zaak en de opstelling van appellant geen rechtvaardiging boden voor de overschrijding van de redelijke termijn. Ook werd het UWV verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak is gedaan door S. Wijna en uitgesproken op 22 juli 2026.

Uitkomst: De Raad veroordeelt het UWV en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn in WIA-procedures.

Uitspraak

18/3759 WIA, 22/3846 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 mei 2018, 17/5818 en 23 november 2022, 20/7066 WIA (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 juli 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam] hoger beroepen ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting in de zaak 18/3759 WIA heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam]. Het Uwv is niet verschenen.
Na de zitting is het onderzoek geschorst om nadere vragen te stellen aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord. Partijen hebben over en weer op elkaar gereageerd.
De Raad heeft vervolgens I.S. Hernandez-Dwarkasing, psychiater, en K.C. Rammeloo, verzekeringsarts, benoemd als onafhankelijk deskundigen voor het instellen van een onderzoek. Op 24 februari 2022 hebben deze deskundigen rapport uitgebracht en vervolgens hebben partijen hun zienswijze op het rapport gegeven. De deskundigen hebben op 2 juni 2022 aanvullend gerapporteerd.
Op 14 maart 2023 heeft de Raad nadere vragen gesteld aan appellant. Appellant heeft hierop gereageerd.
Op 29 januari 2024 heeft een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden in de zaak 18/3759 WIA. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. Martens.
De Raad heeft vervolgens prof. dr. J.W.M. van der Meer benoemd als onafhankelijk deskundige voor het instellen van een onderzoek in de zaken 18/3759 WIA en 22/3846 WIA. Op 12 december 2024 heeft deze deskundige rapport uitgebracht en vervolgens heeft het Uwv zijn zienswijze op het rapport gegeven. De deskundige heeft op 30 maart 2025 aanvullend gerapporteerd.
De Raad heeft op 29 juli 2025 nadere vragen gesteld aan het Uwv.
Het Uwv heeft op 10 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen in beide zaken.
Appellant heeft de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellant heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door hem geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft daarnaast verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek van appellant heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar heeft het Uwv appellant per 17 februari 2017 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Omdat het Uwv hiermee volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, heeft appellant de hoger beroepen ingetrokken.
Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. [2]
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [3]
De zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
18/3759 WIA
Vanaf de ontvangst door het Uwv op 8 februari 2017 van het eerste bezwaarschrift van appellant (tegen het besluit van 30 januari 2017, zaak 18/3759) tot 10 oktober 2025, de datum van bekendmaking van het tegemoetkomend besluit, zijn acht jaar en afgerond negen maanden verstreken. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van betrokkene geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met vier jaar en negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 5.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het eerste bezwaarschrift tot het eerste bestreden besluit van 6 juli 2017 (afgerond naar boven) vijf maanden geduurd. De behandeling van het beroep en hoger beroep heeft in totaal (afgerond) acht jaar en twee maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 5.000,-.
22/3846 WIA
In zaak 22/3846 WIA is in bezwaar en beroep sprake geweest van een afzonderlijke behandeling en is in hoger beroep deels sprake geweest van een gezamenlijke behandeling. Vanaf de ontvangst, door het Uwv op 9 september 2019, van het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 augustus 2019 tot het bestreden besluit van 3 juni 2020, zijn negen maanden verstreken. De behandeling van het beroep heeft in totaal twee jaar en (afgerond) zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Omdat voor de fase van het hoger beroep slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar wordt gehanteerd, leidt dit tot een aanvullende schadevergoeding van in totaal € 1.500,-.
Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de Staat onderscheidenlijk van het Uwv wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [4] De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.200,- (12/15 deel van € 1.500,- ). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 300,- (3/15 deel van € 1.500,-).
Proceskosten
Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 3.736,- in beroep (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 2 punten voor het verschijnen ter zitting in beide zaken, met een waarde per punt van € 934,-) en € 5.604,- in hoger beroep (2 punten voor het indienen van de hoger beroepschriften in beide zaken, 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting in 18/3759 en 2,5 punt voor de ingediende zienswijzen in beide zaken). In totaal gaat het om een vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand begrote kosten van € 9.340,-.
De door appellant naar voren gebrachte impact van deze zaak, maakt niet dat sprake is van een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak. Voor het hanteren van een hogere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) wordt dan ook geen aanleiding gezien.
Daarnaast komen de kosten verbonden aan de inschakeling van een deskundige in hoger beroep gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft de kosten van de in beroep en hoger beroep uitgebrachte rapporten van dr. F.C. Visser en dr. C.M.C. van Campen in beide zaken. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003, wordt uitgegaan van uurtarieven van € 126,47 in 2019, € 129,63 in 2020, € 134,04 in 2021, € 139,- in 2022 en € 142,75 in 2023. Dit zijn ook de tarieven die zijn genoemd in de door appellant overgelegde factuur met urenspecificatie van Cardiozorg van 26 oktober 2025. Ter onderbouwing van de kosten van het uitbrengen van advies aan appellant, heeft appellant verwezen naar voornoemde factuur van Cardiozorg van 26 oktober 2025. Voor het beoordelen van verschillende documenten wordt 26,5 uur in rekening gebracht. Ten aanzien van de werkzaamheden ‘beoordelen documenten’ op 9 oktober 2019 worden in het dossier geen stukken aangetroffen met die datum. Voor deze kosten bestaat daarmee geen onderbouwing. De Raad acht voor de overige werkzaamheden in totaal een vergoeding voor 25 uur redelijk. Uitgaande van de hiervoor genoemde uurtarieven komt dan voor vergoeding van deskundigenrapporten een bedrag van € 4.041,03 in aanmerking.
Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5) elk voor de helft te betalen door de Staat en het Uwv, dus ieder € 233,50.
Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten voor het Uwv bedraagt daarmee € 13.614,53.
Het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [5]
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 6.200,-;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 300,-;
  • veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor vermeld;
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 13.614,53;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 356,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
3.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, r.o. 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, r.o. 3.10.2 en de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1573, r.o. 6.2.
4.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
5.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.