ECLI:NL:CRVB:2026:964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
24/2808 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 9 Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022Art. 31 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor extra VvE-bijdrage wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellanten, eigenaren van een appartement en bijstandontvangers, vroegen bijzondere bijstand aan voor de extra maandelijkse bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren (VvE) vanwege een lening voor verduurzaming van hun appartementencomplex. Het college wees de aanvraag af omdat deze kosten tot de algemeen noodzakelijke woonkosten behoren en niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Na meerdere afwijzingen en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde appellanten hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Zij voerden aan dat zij door de extra kosten in financiële problemen zouden komen en deden een beroep op het evenredigheidsbeginsel.

De Raad oordeelde dat de beleidsregels van het college als tegenwettelijk begunstigend beleid gelden en dat deze consistent zijn toegepast. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat artikel 35 van Pro de Participatiewet een dwingendrechtelijke bepaling is en appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat bijzondere omstandigheden zich voordeden die de toepassing van deze wet in hun geval zouden moeten uitsluiten.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en liet de afwijzing van de bijzondere bijstand in stand. Appellanten kregen geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit op 21 juli 2026.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de extra VvE-bijdrage wordt bevestigd omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

24/2808 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 november 2024, 23/8333 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)
Datum uitspraak: 21 juli 2026

SAMENVATTING

In deze uitspraak beoordeelt de Raad de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de extra maandelijkse bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren (VvE) in verband met verduurzaming van de woningen in het appartementencomplex van appellanten. Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De kosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden. Ook op grond van het beleid van het college komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Volgens appellanten is de aanvraag ten onrechte afgewezen omdat zij door de extra kosten in financiële problemen komen. Ook hebben zij een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Appellanten krijgen geen gelijk. De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand blijft in stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.A. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Op 29 oktober 2025 heeft mr. Spek zich als gemachtigde onttrokken.
Met een e-mailbericht van 12 december 2025 heeft mr. M. Jozefzoon-Flipse, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellanten gesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jozefzoon-Flipse. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Colen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvangen bijstand van het college in de vorm van een lening onder verband van krediethypotheek. Appellanten zijn eigenaar van een appartement en hebben geen andere hypothecaire schuld. Appellanten hebben de kosten van het appartement betaald uit een door appellant ontvangen schadevergoeding wegens een hem overkomen ongeval.
1.2.
Appellanten hebben op 2 december 2022, voor zover van belang, een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de verhoging van de maandelijkse bijdrage aan de VvE. Appellanten zijn deze per 1 januari 2023 verschuldigd in verband met een door de VvE afgesloten lening bij het Warmtefonds voor verduurzaming van de woningen in hun appartementencomplex.
1.3.
Met een besluit van 21 februari 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen. Hiertegen hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend.
1.4.
Op 22 mei 2023 hebben appellanten opnieuw een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in verband met de verhoging van de VvE-bijdrage van € 175,- per maand.
1.5.
Met een besluit van 30 mei 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen onder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 4:5 van Pro de Awb. Hiertegen hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend.
1.6.
Op 13 juni 2023 hebben appellanten een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de jaarlijkse kosten van de verhoging van de VvE-bijdrage van € 2.100,-.
1.7.
Met een besluit van 6 juli 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen onder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb omdat niet gebleken is van gewijzigde omstandigheden na de afwijzing van de eerdere aanvragen van 2 december 2022 en 22 mei 2023.
1.8.
Met een besluit van 10 november 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard en het besluit van 6 juli 2023, onder wijziging van de motivering, gehandhaafd. Het college heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat de kosten van de verhoging van de VvE-bijdrage niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en algemeen gebruikelijke woonkosten zijn die uit de bijstandsuitkering moeten worden voldaan. Appellanten hebben geen hypotheeklasten en de totale woonkosten bestaan uit de VvE-bijdrage van € 465,39 per maand, inclusief stookkosten. Dat appellanten hiernaast andere kosten hebben, zoals medische kosten en kosten voor kinderopvang, maakt dit niet anders. Appellanten voldoen ook niet aan artikel 9 van Pro de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022 (Beleidsregels) omdat geen sprake is van woonkosten die meer bedragen dan de maximum huurgrens van € 808,06 per maand in 2023.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten die verband houden met een aan de belanghebbende in eigendom toebehorende woning in beginsel moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Appellanten hebben niet onderbouwd dat in hun geval de woonkosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat voor verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW geen plaats is. Het college heeft beleid geformuleerd op grond waarvan in sommige gevallen toch bijzondere bijstand kan worden verleend. De Beleidsregels dienen te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid voor zover met toepassing daarvan woonkostentoeslag wordt verleend in andere gevallen of tot een hoger bedrag dan met toepassing van artikel 35 van Pro de PW mogelijk is. De bestuursrechter dient het bestaan van de inhoud van een dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden. De rechterlijke toetsing is dan beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast en de vraag of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden. Het college heeft de Beleidsregels consistent toegepast en de rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de berekening.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de maandelijkse extra VvE-bijdrage in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Wat appellanten aanvoeren is in de kern een herhaling van wat appellanten in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellanten hebben in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hen onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.
4.2.
De Raad voegt hieraan nog toe dat de grond dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen voor appellanten heeft en zij vanwege hoge medische kosten in financiële problemen dreigen te komen, niet slaagt.
4.2.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Beleidsregels - voor zover hier van belang - moeten worden aangemerkt als tegenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt tegenwettelijk begunstigend beleid als een gegeven aanvaard en dus niet op rechtmatigheid getoetst, met dien verstande dat wel wordt getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. [1] Door appellanten is niet betwist dat de Beleidsregels consistent zijn toegepast.
4.2.2.
Wat appellanten verder naar voren hebben gebracht komt er uiteindelijk op neer dat het evenredigheidsbeginsel in dit geval meebrengt dat artikel 35 van Pro de PW volgens hen buiten toepassing moet blijven. Artikel 35, eerste lid, van de PW is een dwingendrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. [2] Het is vaste rechtspraak dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, maar dat het onder bepaalde omstandigheden wel mogelijk is de wet in een concreet geval buiten toepassing te laten. [3] Daarom is voor de beoordeling van deze beroepsgrond van belang of zich bijzondere omstandigheden voordeden die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd en die de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.
4.2.3.
De door appellanten gestelde bijzondere omstandigheden, namelijk dat zij financieel in de problemen dreigen te komen, brengen niet met zich dat toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege dient te blijven. Appellanten hebben deze onzekere toekomstige nadelige gevolgen (volstrekt) niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat de vraag of de gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd, hier geen afzonderlijke beantwoording behoeft.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de extra VvEbijdrage van € 175,- per maand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) M.J.D. van Haren

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel en beleidsregels

Participatiewet
Artikel 35. Individuele en categoriale bijzondere bijstand
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. […]
Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022
Artikel 9 Woonkosten Pro
Periodieke woonkosten horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De Wet op de huurtoeslag biedt een tegemoetkoming in de huurkosten en is daarmee een passende en toereikende voorliggende voorziening. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand als er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
Onder bijzondere omstandigheden wordt verstaan het bewonen van een eigen woning of huurwoning waarbij geen aanspraak kan worden gemaakt op een (volledige) tegemoetkoming in de huurkosten op grond van de Wet op de huurtoeslag.
Onder woonkosten wordt bij een koopwoning verstaan de rente die verband houdt met de woning, zakelijke lasten en een bedrag voor onderhoud.
De noodzakelijke kosten worden voor de koopwoning en de huurwoning berekend volgens de regels van de Wet op de huurtoeslag.
Het verschil tussen de maximale vergoeding op grond van de Wet op de huurtoeslag en de werkelijke kosten wordt voor 100% vergoed.
De duur van de bijzondere bijstand is 12 maanden met een mogelijkheid tot verlenging als er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening toegekend als de belanghebbende zich verwijtbaar niet of onvoldoende heeft ingespannen om passende woonruimte te krijgen.
Als de bijzondere bijstand wordt toegekend op grond van artikel 4 van Pro dit artikel, wordt op grond van artikel 55 Participatiewet Pro aan de bijzondere bijstand een verplichting verbonden om aantoonbaar op zoek te gaan naar passende goedkopere woonruimte en deze te accepteren, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.

Voetnoten

1.Uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
2.Vergelijk de uitspraak van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1383.
3.Uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.