ECLI:NL:GHAMS:2003:AF3266
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Boersma
- Schaap
- Goes
- Rechtspraak.nl
Geen verboden ongelijke behandeling bij aanslag na voorlopige teruggaaf heffingskorting
Belanghebbende, gehuwd met een kostwinner, ontving in 2001 een voorlopige teruggaaf heffingskorting op basis van de opgave dat zij geen inkomen genoot. Bij de definitieve aangifte werd echter een deel van het box-3-inkomen aan haar toegerekend, wat leidde tot een aanslag van €184.
Belanghebbende stelde dat artikel 9.4 Wet IB 2001 niet bedoeld is voor dergelijke situaties en dat de inspecteur een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling toepaste. Het hof oordeelde dat de wetgever expliciet heeft bepaald dat bij een te hoge voorlopige teruggaaf een aanslag moet worden vastgesteld en dat er geen sprake is van gelijke gevallen tussen tweeverdieners en éénverdieners met een niet-verdienende partner.
Verder wees het hof het betoog van onvoldoende voorlichting door de belastingdienst af en benadrukte dat niet-verdienende partners die geen aangifte doen, zelf aangifte moeten verzoeken. De procedure werd versneld behandeld vanwege de omvang van de problematiek. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2001 wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.