ECLI:NL:PHR:2004:AN8735
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verplichte aanslag bij te hoge voorlopige teruggaaf heffingskorting en toepassing meerderheidsregel
In deze zaak staat centraal of een belastingplichtige een verplichte aanslag krijgt opgelegd wanneer de voorlopige teruggaaf van de gecombineerde heffingskorting ten onrechte of te hoog is vastgesteld. Belanghebbende, een niet-verdienende partner, ontving een voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting, maar bleek achteraf belastbaar inkomen te hebben door inkomenstoerekening op basis van artikel 2.17 Wet IB 2001. Hierdoor was zij een bedrag aan inkomstenbelasting verschuldigd.
Het Hof oordeelde dat de aanslag moet worden opgelegd, ook als het bedrag onder de aanslaggrens van €196 ligt, en verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel. De staatssecretaris stelde dat de aanslag terecht is opgelegd en dat geen sprake is van een begunstigend beleid.
De Hoge Raad bevestigt dat bij een te hoge voorlopige teruggaaf een aanslag volgt, ongeacht de aanslaggrens, en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Wel acht de Hoge Raad het noodzakelijk om nader te onderzoeken of in de meerderheid van vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast, zoals vereist bij de meerderheidsregel, en verwijst het geding voor dat onderzoek terug naar het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar de toepassing van de meerderheidsregel.