ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5047
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- O.B. Onnes
- Rechtspraak.nl
Geen vrijstelling overdrachtsbelasting bij aankoop landerijen zonder bedrijfsmatige exploitatie
Belanghebbende kocht in 2001 landerijen waarvan de aan haar verkochte gronden werden verpacht aan de verkoper die het oorspronkelijke landbouwbedrijf voortzette. Belanghebbende oefende zelf geen landbouwbedrijf uit. De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) niet van toepassing zou zijn.
Het geschil betrof de vraag of sprake was van bedrijfsmatige exploitatie van de landerijen door belanghebbende in de zin van artikel 6a van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (UBR), een vereiste voor de vrijstelling. Belanghebbende stelde dat eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad ook vrijstelling toestond bij verpachting aan derden, terwijl de inspecteur en het hof oordeelden dat de wetgever met artikel 6a UBR een objectief criterium had gesteld dat de verkrijger zelf bedrijfsmatig moet exploiteren.
Het hof concludeerde dat belanghebbende niet aan dit vereiste voldeed omdat zij de landerijen als belegging had verworven en niet zelf exploiteerde. De oude jurisprudentie was achterhaald door de nieuwe regeling. Het hof verwierp het beroep en verklaarde het ongegrond. Tevens oordeelde het hof dat de vrijstelling niet van toepassing was op het vruchtgebruik en dat geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt bevestigd.