ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8222
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Waardering aandelenopties bij beëindiging dienstverband en loonheffing
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had aan werknemer G voorwaardelijke aandelenopties toegekend die op 1 augustus 1996 onvoorwaardelijk werden. G werd op 6 augustus 1996 ontslagen, waardoor normaliter de optierechten vervielen. De kern van het geschil betrof de waardering van de resterende looptijd van de opties op het genietingstijdstip, waarbij belanghebbende uitging van 5 dagen en de inspecteur van 9 jaar.
Het hof oordeelde dat bij de waardering van het optievoordeel het moment van het genieten bepalend is en dat op dat moment vaststond dat de arbeidsovereenkomst per 6 augustus 1996 zou eindigen. De inspecteur had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kans op voortzetting van de arbeidsovereenkomst of bijzondere omstandigheden zodanig waren dat een langere looptijd gerechtvaardigd was.
Daarom werd de resterende looptijd van 5 dagen als objectief en passend beoordeeld, wat leidde tot een lagere waardering van het optievoordeel en een vermindering van de naheffingsaanslag. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De uitspraak bevestigt het belang van objectieve waardering van opties bij beëindiging dienstverband.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonheffing wordt verminderd op basis van een resterende looptijd van 5 dagen voor de aandelenopties.