ECLI:NL:GHAMS:2005:AU9141
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op zeedagenaftrek voor internationaal vrachtwagenchauffeur volgens Wet IB 2001
Belanghebbende, een internationaal vrachtwagenchauffeur, vorderde de toepassing van de zeedagenaftrek op zijn inkomstenbelastingaanslag over 2002. De inspecteur wees dit af omdat de aftrek volgens artikel 3.89 Wet IB 2001 alleen geldt voor zeevarenden zoals kapiteins en scheepsofficieren.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of deze regeling discriminerend is ten opzichte van beroepschauffeurs en daarmee in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. De Raad van State had eerder gewezen op het mogelijke discriminerende karakter van de regeling, maar de wetgever handhaafde de aftrek vanwege het belang van de Nederlandse zeescheepvaart en de daarmee samenhangende werkgelegenheid.
Het Hof stelde vast dat de wetgever binnen zijn beoordelingsmarge is gebleven en dat de inkomensgevolgen voor zeevarenden en het kostenniveau van de Nederlandse zeescheepvaart een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormen voor de regeling. Het Hof liet de vraag of vrachtwagenchauffeurs en zeevarenden rechtens gelijke gevallen zijn onbeantwoord en verklaarde het beroep ongegrond.
De proceskosten werden niet aan een partij opgelegd. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 29 december 2005. Belanghebbende kan binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep van de internationaal vrachtwagenchauffeur op toepassing van de zeedagenaftrek wordt ongegrond verklaard.