ECLI:NL:GHAMS:2006:AV6832
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- IJland-van Veen
- Houben
- Van Woensel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsing uitleveringsdetentie na beslissing Minister van Justitie
In deze zaak stond de vraag centraal of de uitleveringsdetentie van een opgeëiste persoon geschorst kon worden nadat de Minister van Justitie de uitlevering had toegestaan en de officier van justitie daarvan op de hoogte was gesteld. De rechtbank Amsterdam had eerder de schorsing van de uitleveringsdetentie toegewezen, mede vanwege lopende bestuursrechtelijke procedures omtrent de verblijfsstatus van de opgeëiste persoon.
Het hof benadrukte dat noch artikel 56, eerste lid, van de Uitleveringswet, noch enige andere bepaling in de wet voorziet in een mogelijkheid tot schorsing van de uitleveringsdetentie na een positieve beslissing van de Minister van Justitie. Lopende civiele of bestuursrechtelijke procedures kunnen niet leiden tot schorsing, omdat deze de uitleveringsbeslissing niet automatisch opschorten.
Het hof vernietigde daarom de beslissing van de rechtbank en wees het verzoek tot schorsing af. De ratio achter artikel 56 is Pro het voorkomen dat een opgeëiste persoon zich aan uitlevering onttrekt nadat hij van de beslissing op de hoogte is gesteld. De schorsing van uitleveringsdetentie na een positieve beslissing zou dit doel frustreren.
De beschikking werd gegeven door het hof Amsterdam, in raadkamer, waarbij de advocaat-generaal en de opgeëiste persoon met raadsvrouw waren gehoord.
Uitkomst: Het hof wees het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie af en vernietigde de beslissing van de rechtbank.