ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ1040
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling renteaftrek bij lening met garantstelling door verbonden lichaam onder artikel 15 lid 4 Wet Vpb 1969
Belanghebbende, een BV, had leningen afgesloten die verband hielden met de verwerving van aandelen in een dochtermaatschappij. De Inspecteur stelde dat de rente op deze leningen niet aftrekbaar was op grond van artikel 15, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, omdat de lening feitelijk was gegarandeerd door verbonden lichamen binnen dezelfde concernstructuur.
Het geschil betrof onder meer de vraag of de renteaftrek uitgesloten was, of de overgangsregeling in strijd was met Europese en bilaterale verdragen, en of sprake was van dubbele heffing die matiging van de aftrekbeperking zou rechtvaardigen. Het Hof oordeelde dat de lening inderdaad onder de uitsluiting van artikel 15, vierde lid, viel, omdat het risico feitelijk door verbonden lichamen werd gedragen.
Belanghebbendes verweer dat de lening extern was gefinancierd en dat een deel van de lening zonder garantstelling kon worden toegelaten, werd verworpen. Het Hof concludeerde dat de rente slechts aftrekbaar is tot het bedrag dat de winst zou hebben behaald zonder toepassing van de aftrekbeperking, en dat de inspecteur de rente terecht niet in aftrek had toegelaten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de renteaftrek wordt beperkt op grond van artikel 15, vierde lid, Wet Vpb 1969.