ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ1173

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/0659
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Faillissementswet art. 16
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen opheffing faillissement wegens onvoldoende boedelactief

Appellant is in 2002 failliet verklaard en heeft hoger beroep ingesteld tegen de opheffing van zijn faillissement door de rechtbank Haarlem. Hij voerde meerdere grieven aan, waaronder het niet gehoord zijn bij de rechtbank, het ontbreken van een rekening en verantwoording door de curator, onvoldoende motivering van de beslissing en de toestand van de boedel die geen aanleiding zou geven tot opheffing.

Tijdens de zitting in hoger beroep op 28 juli 2006 zijn zowel appellant als de curator gehoord. Het hof stelde vast dat het boedelactief circa €22.000 bedroeg, terwijl de preferente vorderingen en bankvorderingen aanzienlijk hoger waren. Het hof oordeelde dat ook bij een boedelactief van ongeveer €36.000 opheffing gerechtvaardigd is omdat dit onvoldoende is voor de faillissementskosten en boedelschulden.

Verder verwierp het hof de grieven over het niet gehoord zijn van appellant en curator bij de rechtbank, omdat appellant in hoger beroep wel de gelegenheid had gekregen zijn bezwaren te uiten en de curator ook is gehoord. De stelling dat curator ten genoegen van appellant rekening en verantwoording moest afleggen werd niet ondersteund door het recht.

Het hof bekrachtigde daarom de beslissing van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant had geen belang meer bij de grief over onvoldoende motivering van de beslissing.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opheffing van het faillissement omdat het boedelactief onvoldoende is voor faillissementskosten en appellant geen belang heeft bij zijn grieven.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
BESCHIKKING van 4 augustus 2006 in de zaak met rekestnummer 06/0659 van:
[APPELLANT],
voorheen h.o.d.n. “Tropical Markt”, “Meerwijk” en “Kapsalon Om de Hoek”,
wonende aan [...]
APPELLANT,
procureur: mr. G.P. Dayala.
1. Het geding in hoger beroep
1.1 Appellant – [...] - is bij per fax op 26 april 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Haarlem van 18 april 2006 onder faillissementsnummer F.308/2002 waarbij op voordracht van de rechter-commissaris de opheffing is bevolen van het bij beslissing van voornoemde rechtbank op 26 november 2002 uitgesproken faillissement van [appellant].
1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 28 juli 2006. Ter zitting is [appellant] verschenen, bijgestaan door zijn procureur voornoemd. Op die zitting is [appellant] gehoord en is het woord gevoerd door zijn procureur, aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie. Voorts is verschenen mr. L.J. van Apeldoorn in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant].
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1. Ter griffie van het hof is bij per fax op 26 april 2006 een door [appellant] opgesteld geschrift ingekomen, waarin hij een vijftal grieven heeft aangevoerd tegen de onder 1.1 genoemde beslissing van de rechtbank Haarlem. Dit geschrift is niet door een procureur ingediend en ondertekend. Bij per fax van 26 april 2006 ter griffie van het hof ingekomen bericht heeft mr. G.P. Dayala zich vervolgens als procureur voor [appellant] gesteld, zodat [appellant] in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
3. De gronden van de beslissing
3.1 Op grond van de inhoud van de schriftelijke stukken – waaronder het door de curator bij brief van 4 juli 2006 toegezonden verslag met bijlagen en de verscheidene door [appellant] door hemzelf overgelegde stukken – alsmede het verhandelde ter zitting in hoger beroep, wordt het volgende overwogen.
3.2 In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan:
a. [appellant] is bij beslissing van de rechtbank Haarlem van 26 november 2002, onder gelijktijdige intrekking van de definitief verleende surséance van betaling, in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. J.J. Roos, rechter in voornoemde rechtbank, tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. L.J. van Apeldoorn, advocaat en procureur te Haarlem, tot curator;
b. blijkens het eindverslag van de curator van 5 januari 2006 beloopt het boedelactief per datum verslag € 22.027,72. Volgens mededeling van de curator ter zitting in hoger beroep is in het faillissement aan preferente vorderingen een bedrag groot € 84.000 ingediend en een vordering van de bank van ongeveer € 185.000;
c. de rechtbank heeft in de beslissing waarvan beroep overwogen dat het salaris van de curator ingeval van toereikend actief € 81.982,42, inclusief BTW, zou hebben bedragen. Voorts heeft de rechtbank het bedrag der verschotten (inclusief advertentiekosten ad € 2.953,09) vastgesteld op € 6.278,48, inclusief BTW en het salaris van de curator op € 36.629,33, te vermeerderen met de eventuele nagekomen rente op de faillissementsrekening.
3.3 Bij verzoekschrift van 29 juni 2006 heeft [appellant], onder gelijktijdige intrekking van de bij verzoekschrift van 26 april 2006 aangevoerde gronden, een drietal grieven geformuleerd. Naar [appellant] en zijn raadsman ter zitting nader uiteen hebben gezet behelzen de grieven tegen de bestreden beschikking - zakelijk weergeven - het volgende:
- [appellant] is ter gelegenheid van de behandeling van de voordracht tot opheffing van zijn faillissement door de rechtbank niet gehoord;
- de curator was niet aanwezig bij de behandeling van de voordracht tot opheffing van het faillissement van [appellant], zodat aldaar door de curator geen rekening en verantwoording is afgelegd omtrent de toestand van de boedel;
- de beslissing waarvan beroep is onvoldoende gemotiveerd;
- de toestand van de boedel geeft geen aanleiding tot opheffing van het faillissement.
3.3.1 Het hof oordeelt omtrent de laatste grief als volgt. Nu [appellant] enkel heeft gesteld dat het boedelactief een bedrag van € 36.629,33 vertegenwoordigt en deze stelling voorts niet heeft geadstrueerd, is niet aannemelijk geworden dat de toestand van de boedel geen aanleiding geeft tot opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Ten overvloede overweegt het hof dat ook bij een boedelactief van € 36.629,33 aanleiding bestaat tot opheffing van het faillissement, daar een dergelijk actief onvoldoende is voor voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden.
3.3.2 Voor zover [appellant] voorts heeft willen betogen dat hij in zijn belangen is geschaad, daar hij ter gelegenheid van de zitting tot opheffing van zijn faillissement door de rechtbank niet is gehoord, faalt deze grief, nu [appellant] ter zitting in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren en zijn bezwaren tegen de opheffing van zijn faillissement naar voren te brengen. De grief inhoudende dat [appellant] in zijn belangen is geschaad omdat ook de curator ter gelegenheid van de behandeling van de opheffing van het faillissement van [appellant], niet is gehoord en de curator derhalve aldaar geen rekening en verantwoording heeft afgelegd, slaagt evenmin, nu ook de curator in dit hoger beroep is gehoord en [appellant] de gelegenheid heeft gehad hierop te reageren. Bovendien vindt de stelling inhoudende dat de opheffing van een faillissement vanwege de toestand van de boedel niet eerder kan worden bevolen dan nadat de curator ten genoegen van de gefailleerde rekening en verantwoording heeft afgelegd, geen steun in het recht.
3.4 Nu het hof de beslissing waarvan beroep zal bekrachtigen en afdoen op het vorenoverwogene, heeft [appellant] geen belang meer bij zijn grief inhoudende dat de rechtbank haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.5 Een en ander leidt tot de navolgende beslissing.
4. De beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, A. Bockwinkel en A.C. Faber en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 4 augustus 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.